Veel aanbod, minder vraag. Olie-economie is op onbekend terrein beland

Olieproductie Saoedi-Arabië en Rusland hebben de oliekraan wijd open staan. En dat lijkt ondanks de extreme prijsdaling niet snel te veranderen. Bedrijven kampen ondertussen met de gevolgen van de lage olieprijs.

Hin Leong’s Pu Tuo San VLCC supertanker in de wateren voor Singapore, vorig jaar juli.
Hin Leong’s Pu Tuo San VLCC supertanker in de wateren voor Singapore, vorig jaar juli. Foto Reuters

Het woord oliecrisis is al gevallen. Maar in tegenstelling tot die crises van de jaren zeventig is er nu geen tekort aan olie, maar een overschot. De solidariteit van het OPEC-kartel viel uiteen terwijl de wereldeconomie geraakt werd door de coronapandemie. De gevolgen zijn ongekend. Een vat Brent-olie was vrijdag bijna 35 dollar, ruim 35 procent minder dan een maand geleden. De olieprijs staat nu lager dan tijdens de kredietcrisis en is op het niveau van 2004.

Daarmee is de olie-economie op onbekend terrein beland. Rusland en Saoedi-Arabië hebben in hun nijd de oliesluizen opengezet, juist nu het coronavirus door de wereldeconomie raast. Analisten weten ook niet wat ze meemaken. Mogelijk komt de Amerikaanse president met meer „experimentele beleidsmaatregelen”, schreef de Amerikaanse vermogensbeheerder State Street Global Advisors donderdag.

De olievraag staat sterk onder druk door de economische gevolgen van het virus. Het kartel wist wat het te doen stond: de olieproductie gezamenlijk beperken, samen met Rusland, om zo de prijs op peil te houden. Vier jaar lang werkte dat. Meer en meer werd de oliemarkt het resultaat van een balanceertruc tussen de drie grootste olielanden – topproducent VS met zijn schalieolie enerzijds, Rusland en Saoedi-Arabië aan de andere kant. Meestal lukte het om de olieprijs tussen de 50 en 70 dollar per vat te houden.

Nadat de onderhandelingen over een productiebeperking na afgelopen weekend mislukt bleken, doen Rusland en Saoedi-Arabië geen moeite meer de discipline te handhaven. De strijd om marktaandeel is ten volle begonnen, waarbij beide landen, die tegen heel lage kosten olie winnen, de duurdere Amerikaanse schalieolie buitenspel kunnen zetten.

Saoediërs en Russen wijken niet

Een vervolgvergadering in de zogeheten OPEC+ is afgelast, meldde persbureau Bloomberg donderdag op basis van anonieme bronnen. Saoedi-Arabië maakte dinsdag bekend dat het de productie opvoert tot 12,3 miljoen vaten per dag in april – ruim 25 procent meer dan in februari. Staatsoliebedrijf Aramco spreekt er zelfs zijn reservecapaciteit voor aan. Rusland poogt hetzelfde. „Deze nieuwe Saoedische aanpak zal de positie van de Russen verharden, zei olieanalist Amrita Sen van Energy Aspects in de Financial Times. Tegenover Bloomberg zeiden anonieme bronnen in de raffinagesector dat Saoedische producenten tegen bodemprijzen topkwaliteit ruwe olie aanbieden aan Europese raffinaderijen om de Russische concurrentie de pas af te snijden.

Inmiddels lijkt het erop dat de wereldwijde olievraag door de coronacrisis dit jaar stagneert, of zelfs afneemt – wat sinds het crisisjaar 2009 niet meer gebeurde. Zowel het Internationaal Energie Agentschap als de OPEC publiceerde begin deze week nieuwe prognoses, en dat was nog voordat president Trump het inreisverbod voor Europeanen afkondigde. Het Noorse energie-analysebureau Rystad gaat er voor dit jaar vanuit dat de olievraag 0,6 procent terugloopt ten opzichte van 2019.

Zowel Saoedi-Arabië als Rusland kan een lange periode met lage prijzen aan, en het zal enkele maanden duren voordat de VS de productie bijstellen. Analisten voorzien daarom dat de prijzenoorlog lang gaat duren. Het Amerikaanse overheidsinstituut EIA (Energy Information Administration) voorspelde woensdag dat de olieproductie tot in het derde kwartaal van dit jaar blijft stijgen, met grote overschotten als gevolg.

Heftige koersdaling Shell

Het EIA blijft nog tamelijk optimistisch en denkt dat de olieprijs in de tweede helft van 2020 weer iets zal oplopen tot 42 dollar. Rystad denkt dat het veel erger wordt en dat de prijzen komende maanden naar „onderin de 20 dollar” kunnen dalen.

Crises komen altijd ongelegen. Dat geldt zeker voor Shell. Het olie- en gasconcern kent relatief veel schulden en zit, wat de eigen normen betreft, tegen de maximale leencapaciteit aan. Dat verklaart volgens analisten de extra heftige koersdaling waar Shell, en ook de Britse concurrent BP, mee te maken heeft. In één week verloor het een kwart van zijn waarde.

Lees ook de dividendbetalingen van de olieconcerns

De lage olieprijs heeft logischerwijs grote gevolgen voor de winstgevendheid van de hele oliesector, al zijn de koerseffecten bij bijvoorbeeld ExxonMobil en Chevron geringer. Eind december liet Shell nog weten dat als een vat een jaar lang 10 dollar goedkoper is, de kasstroom (winst plus de afschrijvingen) met 6 miljard dollar daalt. Voor een vat Brent werd toen nog ruim 66 dollar betaald en de koers van Shell lag boven de 26 euro. Zowel de olie als het aandeel Shell is in drie maanden bijna de helft goedkoper geworden.

Met de olieprijs is ook de dividendbetaling van Shell hét gesprek op de (virtuele) beursvloer. Over 2019 betaalde het concern 1,88 dollar dividend per aandeel, wat bij de hogere koersen van vorig jaar al voor een serieus rendement zorgde. De dividendbetalingen over 2019 kostten Shell ruim 15 miljard euro. Hamvraag is hoeveel ruimte er in 2020 is. Eind april wordt het dividend over het eerste kwartaal bekend.

Hardste klappen

De gevolgen voor dienstverleners zijn vaak nog groter. Zie Fugro dat afgelopen week de hardste klappen kreeg. Het bedrijf doet in opdracht van energiebedrijven bodemonderzoek en een lage olieprijs zet een streep door veel projecten. Maandag leverde Fugro (omzet 1,6 miljard, bijna 10.000 medewerkers) ruim een kwart van zijn koers in. Na jaren van problemen toonde Fugro in 2019 enig herstel, al is van winst nog geen sprake. Om de financieringslasten te beteugelen, kondigde Fugro vorige maand de uitgifte van een obligatie van 500 miljoen euro aan. Die werd twee weken geleden geannuleerd vanwege „marktomstandigheden”. Die zijn sindsdien alleen maar verslechterd en dat illustreert de beurskoers. Bij de aankondiging van de nieuwe financiering was het aandeel ruim 10 euro waard. Vrijdag sloot de koers net onder de 4 euro.