Opinie

John Stuart Mill, een denker voor onze tijd

Tommy Wieringa

In vrijwillige quarantaine in mijn werkkamer herlas ik deze week Over vrijheid van John Stuart Mill, vertaald door Wessel Krul, bij wie ik eens colleges volgde in Groningen. Nog zie ik Kruls goedkeurende knikje toen ik tijdens een mondeling tentamen wist te vertellen dat Frederik III van Pruisen aan keelkanker gestorven was, een oppervlakkig feitje dat diepgaande kennis suggereerde. Kon ik het vandaag overdoen, dan zou ik liever met hem praten over Mills radicale belijdenis van de individuele vrijheid uit 1859. Krul had het als jongeman vertaald, een jaar of vijftien voordat ik in zijn werkkamer bedrieglijke feitjes uit de moderne geschiedenis opdiepte. Het pamflet is woord voor woord, gedachte voor gedachte door hem heen gestroomd, en moet sporen in zijn denken hebben getrokken.

Mill is belangrijk omdat hij je leert hoe je als individu staande te houden tussen de wet enerzijds en de publieke opinie en haar collectieve middelmatigheid anderzijds. Veel opvattingen, schrijft hij, waren eerst heel respectabel voordat ze mettertijd belachelijk werden gevonden – het is helaas niet eigen aan de mens om zijn eigen vaststaande ideeën alvast kritisch te onderzoeken voordat de geschiedenis dat voor hem doet. Weinigen, merkt Mill fijntjes op, vinden het nodig voorzorgen tegen hun eigen feilbaarheid te nemen. Nadrukkelijk waarschuwt hij voor de almacht van de publieke opinie. Die kan een sociale tirannie uitoefenen die sterker is dan politieke onderdrukking, het is „een tirannie die weliswaar meestal niet steunt op zulke strenge straffen, maar die minder ruimte voor ontsnapping laat, veel dieper doordringt in het dagelijks leven, en de ziel zelf tot slaaf maakt”.

Het is heilzaam om een boek uit 1859 simultaan te lezen met het nieuws van de dag. „Absolute vorsten”, schrijft Mill, „en anderen die gewend zijn een onbegrensde eerbied te ontvangen, hechten meestal dit volmaakte geloof aan hun eigen meningen over bijna alle onderwerpen”. Hoe zou je daarbij niet aan Donald Trump kunnen denken, wiens bizarre intuïties over het coronavirus het bipolaire Amerikaanse beleid hebben bepaald. Hij trok het hoge sterftecijfer in twijfel, meende dat je net zo goed op je werk kon uitzieken en vergeleek het herhaaldelijk met de seizoensgriep, en toen dat niet langer houdbaar was, prees hij zichzelf voor het vlugge handelen in de crisis, weet de verspreiding van het virus in de VS aan Europese reizigers en sloot de luchthavens voor vluchten uit Europa.

Volgde het bericht dat Woody Allens autobiografie Apropos of nothing niet zou worden uitgegeven door Hachette Book Group. Allen zou in 1992 zijn stiefdochter hebben misbruikt, een beschuldiging die ondanks onderzoeken zonder bewijs of veroordeling bleef. Een pijnlijke familiegeschiedenis, zeker, maar een die zich aan ons zicht en ons beoordelingsvermogen onttrekt. Toch kan Allen geen films meer maken en worden zijn memoires geannuleerd – cancel culture.

Een journaliste van De Standaard die wilde weten wat ik van de annulering vond, vertelde dat ze zes uitgevers had benaderd, waarvan er slechts één bereid was commentaar te geven. De anderen, bang om het verkeerde te zeggen en een banvloek over zich af te roepen, hielden hun kaken op elkaar. Ook daarover dacht Mill alvast na, ruim anderhalve eeuw geleden. „Wie kan uitrekenen”, schijft hij, „hoeveel de wereld verliest aan talloze veelbelovende, intelligente mensen met een beschroomd karakter, die geen stoutmoedige, onafhankelijke gedachtegang durven volgen, uit angst om daardoor tot iets te komen dat men ongodsdienstig of onzedelijk zou kunnen vinden?” Mill, een Engelsman tenslotte, vestigt zijn hoop op excentriciteit. „Juist omdat de tirannie van de publieke opinie van excentriciteit een verwijt maakt, is het nodig dat mensen excentriek zijn, om deze tirannie te doorbreken.”

Hebben we tegen overheden nog een zekere rechtsbescherming, tegen een publieke veroordeling is geen verweer mogelijk. Boeken en lezingen worden geannuleerd zonder een despoot in zicht, maar uitgevers verdedigen niet langer het vrije woord en schrijvers houden hun diepste gedachten voor zich. Wie doorbreekt het verdovende conformisme van deze tijd?

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.