Opinie

Hoe de staat onveiligheid gebruikt

In Europa

In Italië doet het coronavirus iets interessants: het politieke gekrakeel verstomt en steeds meer politieke partijen en burgers scharen zich achter de regering van premier Conte. Matteo Salvini, de enige die nog tegen de regering hitst, verliest aan populariteit. Burgers willen nationale eenheid tegen het virus, geen politieke muggenzifterij. Zo krijgt premier Conte, een outsider die eerder gezien werd als een zwakkeling die er tijdelijk zat omdat ze niemand anders konden vinden, met de dag meer zelfvertrouwen. Hij ontpopt zich als een vader des vaderlands. Iemand in wie burgers vertrouwen kunnen hebben. En wíllen hebben.

Voorspelling: in Europese landen die nu naar Italiaans voorbeeld in lockdown gaan om het virus te stoppen, zal iets dergelijks gebeuren. Hoe meer de regering het initiatief naar zich toetrekt en de rol van nationale beschermer op zich neemt, hoe meer zij aan respect en gezag wint. Bij dit soort crises kan de staat scoren.

Daar is iets tegenstrijdigs aan. Hoe kan het dat zo veel burgers de staat toejuichen die maatregelen uitvaardigt voor ziekenhuizen en hulp biedt aan gedupeerden, terwijl diezelfde staat al jaren bezig is sociale voorzieningen uit te kleden? Waarom keren burgers zich eigenlijk niet tégen de staat, die sociale gelijkheid opoffert aan ‘marktwerking’? In Italië is er flink gehakt in de zorg. Nu zijn er te weinig bedden voor coronapatiënten. Er is een schreeuwend tekort aan dokters en verplegend personeel. Maar in plaats van overheden verantwoordelijk te houden, wenden burgers zich tot haar voor protectie.

In 2003 schreef de Franse filosoof Jacques Rancière over dit dilemma. Er was een enorme hittegolf. De overheid kondigde maatregelen aan om ouderen te beschermen. Tegelijkertijd sneed de regering in hun pensioenen – burgers, was het idee, moesten minder leunen op l’état providence. Ook dat klonk tegenstrijdig. Maar het was pure logica, schreef Rancière. De verzorgingsstaat wordt afgeslankt. Alles moet efficiënter worden, meer marktgericht. De solidariteit tussen sociale klassen en diverse segmenten in de maatschappij vervaagt. Tegenwoordig heeft de overheid een relatie met individuen, niet meer met sociale groepen. Maar individuen staan alleen. Ze zijn kwetsbaar. Als er gevaar dreigt, kunnen ze zich alleen tot de staat wenden voor protectie. „De relatie tussen individuen en de staat wordt in toenemende mate bepaald door een gevoel van angst”, constateerde Rancière.

De site Le Grand Continent drukte dat artikel uit 2003 laatst nog eens af. Goed idee. Want wat Rancière toen schreef, is exact wat we nu zien met corona: de staat surft op de angst voor de bijwerkingen van tekorten en schaarste die ze zelf gecreëerd heeft. Hoe meer de overheid zich terugtrekt, hoe banger mensen worden voor inbrekers, natuurrampen of terrorisme. Als het misgaat, wenden mensen zich tot de staat: help ons! Als de staat vervolgens in de arena stapt, de ‘vijand’ identificeert en als veldheer ten strijde trekt, juicht het volk.

De gele hesjes in Frankrijk hekelen de afbraak van de verzorgingsstaat. Zij zijn een verzameling individuen. Hun acties zijn één lang appèl aan de overheid om hen te beschermen tegen alle mogelijke kwaad: dieselprijzen, wegtrekkende ziekenhuizen, minder pensioen. Ook Chileense demonstranten en boeren in Nederland richten zich direct tot de staat voor protectie.

Vroeger brachten politieke partijen of vakbonden klachten en wensen van burgers in de politieke arena. Dan werd er onderhandeld en naar compromissen gezocht. Compromissen waarin belangen van diverse groepen waren afgewogen. Dit politieke proces functioneert niet goed meer. De staat blijft over als enige gesprekspartner.

Zo bezien is een gevoel van onveiligheid niet iets wat ons overkomt, en weer overgaat. Nee, het is een politiek mechanisme geworden. Een manier, bijna, om het land te runnen.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.