Foto Frank Ruiter

Interview

‘Was Joost onder een tram gekomen, dan had ik geen boek geschreven’

Lunchinterview Arielle Veerman (56) analyseert in De langste adem de zelfdoding van haar ex-man, schrijver Joost Zwagerman. „Was Joost onder een tram gekomen, dan had ik geen boek geschreven.”

De ontbinding van het huwelijk van Arielle Veerman (56) bevatte alle ingrediënten van een vechtscheiding: ruzie over geld, rechtszaken, nachtelijk mailverkeer, verwensingen en verwijten, gegooi met psychiatrische diagnoses. Het enige waarover ze in die vier jaar steggelen nauwelijks woorden hadden, was over hun drie puberkinderen.

De scheiding werd in 2014 door de rechter uitgesproken. Zij had al een nieuwe liefde, hij een nieuwe vriendin. Tot zover niks bijzonders. Zoals bij elke echtscheiding kun je als buitenstaander haar of zijn kant kiezen en je scharen achter een versie van het scheidingsverhaal. Of je kiest geen partij, maar dan nog blijf je beter overal buiten en spreek je in het bijzijn van de ene ex zo min mogelijk over de ander. Case closed.

Hij vond mij geen goede schrijversvrouw

In het geval van Arielle Veermans scheiding is de zaak nooit gesloten, maar een open wond gebleven. Met als reden één: zij heeft een bekende schrijver als ex-echtgenoot. Die schrijver, Joost Zwagerman (Gimmick!, Vals licht) benutte zijn vriendenkring, zijn pen én de podia die hij bespeelde, om de schuld van de breuk in háár schoenen te schuiven, zegt Arielle Veerman. „Per mail of sms stuurde hij me dag in dag uit nieuwe bewijzen van mensen die zijn gelijk bevestigden.” Ze heeft de namen eens geteld: 158 collega-schrijvers, vrienden, familieleden waren het met hém eens of bestreden in elk geval niet dat zij een geldwolf was, hem als deurmat gebruikte, hem over het randje duwde. „Bijna niemand heeft gevraagd hoe het met mij ging. Hadden ze dat gedaan, dan hadden ze geweten hoe slecht het toen al met hém ging.”

De belangrijkste reden waarom ik zes jaar na de scheiding met haar in een restaurant in Amsterdam Oud-Zuid zit te praten over de wonden die zij elkaar hebben toegebracht, is wat zij de ultieme ontknoping noemt. Op 8 september 2015, een krap jaar na hun officiële scheiding, pleegde Joost Zwagerman zelfmoord. „Was dat niet gebeurd, dan was ik nu gewoon een gescheiden vrouw geweest.” Dat zij werd bestempeld als de rancuneuze ex die zijn leven verziekte, daar had ze vrede mee kunnen hebben. Echt? „Ja, echt. Ik ben daar, jaren geleden al, voor in therapie geweest. Ik heb geleerd te leven met het beeld dat anderen van mij hadden en ik kon tegen mezelf zeggen: ‘Dan denken ze dat maar. Dan ben ik maar de slechterik.’” Maar toen hij „zichzelf doodmaakte” kon ze dat niet meer. „Was ik nu ineens een moordenaar?”

Zo schreef Joost Zwagerman dat in zijn boek Door eigen hand uit 2005: een zelfmoordenaar maakt van zijn nabestaanden moordenaars. Arielle Veerman: „Iederéén denkt na zo’n gebeurtenis: was dit te voorkomen geweest? Kwam dit door mij? Maar de schuldvraag werd bij mij wel keihard op de drempel gelegd.” Achteraf gezien, denkt zij, was dat boek misschien een poging de doodsdrang te bezweren die in hemzelf leefde. Nee, schudt ze haar hoofd. In al die jaren dat ze Joost kende – sinds 1979, ze zaten op dezelfde middelbare school in Alkmaar, zij op het vwo, hij deed havo – heeft ze hem niet suïcidaal meegemaakt. „Dat bekroop hem, denk ik, pas na zijn veertigste.” Na de mislukte poging van zijn vader.

Was Joost Zwagerman onder een tram gekomen, dan had ze nooit een boek geschreven over hun leven samen. „Dan was hij dood. We huilen. We rouwen. We vergeven. We leven door.” Maar door zijn zelfdoding kon zij rouwen noch doorleven. „Ik ben gaan schrijven. Een nauwkeurig verslag van wat er is gebeurd, wie ik was, wie Joost was, wie we samen waren en hoe het misging.” Het resultaat is een ‘autobiografische roman’ geworden, De langste adem. De titel ontleende ze aan een mail die Zwagerman aan een vriend stuurde, met daarin een ‘tienstappenplan om Arielle kapot te maken’. „Een plan dat zeker zou lukken, schreef hij, want: ‘Ik win altijd, ik heb de langste adem’.” Voor haar slaat de titel ook op de weerslag van zelfmoord op de nabestaanden, en op de schuldvraag die levenslang in hun hoofd blijft spoken.

Nooit gehaat

Zij eet geen vlees en houdt niet van vis, dus kiest ze voor een salade van wintergroente. „Lekker weinig”, lacht ze als de borden voor ons worden neergezet. Ze vouwt haar servet op schoot. Ze heeft haar mooiste jurk aan. „Het is dit of een spijkerbroek. Ik heb niks ertussenin.” Haar stem is kalm en ze formuleert nadenkend met veel ‘ik denk’ en ‘ik vermoed’. Geen hatelijkheden, want ze hééft hem nooit gehaat, zegt ze. Voor het boek heeft ze, met opzet, geen mail of bericht meer van hem nagelezen. Ze heeft geput uit het residu dat ervan in haar achter is gebleven. „Na afloop checkte ik of mijn geheugen klopte.”

Zwagermans correspondentie (waaronder zo’n 48.000 mails) is overgedragen aan het Letterkundig Museum, zijn literaire nalatenschap had hij kort voor zijn dood zelf al geschonken. Inmiddels hebben zich meer ontvangers gemeld van zijn haatgedreven kritiek. „Joost was een man van vijanden”, zegt Arielle Veerman. „Alleen wisten ze het niet van elkaar.” Zij moet dat toch wel geweten hebben? „Ik wist dat hij woedend kon zijn op mensen.” Maar? „Meestal was ik het wel met hem eens. Vijandschap is besmettelijk. Ik ging erin mee. Iedereen om hem heen ging erin mee.” Verwachtte hij dat van haar? Ze denkt na. „Ik was solidair. Dat kwam… ik voelde me verwant aan hem. Niet voor niets was ik twintig jaar met hem getrouwd.” Na de middelbare school woonde ze tien jaar in Italië, waar ze studeerde en werkte als restaurator van schilderijen. Joost Zwagerman verwierf in Nederland bekendheid als schrijver. „Toen ik terugkwam en hem weer ontmoette, voelde het enorm vertrouwd. Zijn schrijverschap vond ik bijzonder, ik begreep wat hij ermee wilde.”

Lees ook: Zwagermans vrienden halen postuum de mantel der liefde weg

Ze trouwden in 1995, kregen twee zoons en een dochter (die nu 24, 22 en 17 zijn). „Joost zei altijd dat hij oceanen van tijd nodig had voor zijn werk.” Ze begreep dat, zegt ze. „Maar misschien begrijp ik het nu nog wel meer, nu ik weet hoe het is om een boek te schrijven.” De langste adem schreef zij deels in het Friese buitenhuisje van haar vriend, acteur Hugo Koolschijn. Joost Zwagerman zocht rust in hun vakantiehuis in Tuitjenhorn. „Ons sociale leven in Amsterdam was heel beperkt. Alles stond in het teken van zijn werk.” Zij werd zijn „verlengstuk”. Lezen wat hij las, weten wat hij wist, vinden wat hij vond. Ze steekt haar wijsvinger uit en wijst alle kanten op: „Toch Arielle? Toch? Klopt dat? Eens?” Zij werd een „curlingvrouw” die alle afleiding bij hem weg probeerde te houden. „Mijn eigen identiteit raakte ik kwijt.”

Op zijn beurt raakte hij, volgens haar, zijn schrijverschap kwijt. Na 2002 is er geen roman meer van hem verschenen. Ja, hij trad op in talkshows, hij schreef opiniestukken, essays en hield lezingen. „Maar de lijn naar de oorspronkelijke, scheppende literatuur werd steeds dunner.” Hij werd een „ratelende machine”, spoot zijn kennis als een mitrailleur de wereld in. „Hij begon te twijfelen aan zijn bezieling. Wie hij zelf was, wat zijn noodzaak was om te schrijven, dat raakte hij kwijt.”

Hij had zo hard zijn best gedaan de top te bereiken, maar bovenop de berg wankelde hij. „Zijn zelfbeeld werd steeds meer bepaald door hoe hij dacht dat het publiek over hem dacht. Na een televisie-optreden las hij urenlang de meningen op sociale media. Dat verlamde hem.” Hij werd eenzaam, angstig en veeleisender. „Hij vond me geen goede schrijversvrouw. Hij riep vaak dat hij wilde scheiden. Maar toen ik het wilde, raakte hij in paniek.”

Het jaar na de scheiding leek het hem beter te gaan. Hij slikte nieuwe medicijnen. Hij zou opnieuw vader worden. In interviews vertelde hij dat hij zijn depressies te boven was. Voor de nabestaanden is het gissen wat hem tot zijn daad dreef. „Mijn gezin… onze kinderen en ik kunnen zijn dood als een afwijzing zien. Met dit boek laat ik zien dat er ziekte en onvermogen ten grondslag ligt aan zijn dood, dat het een heel complex proces is geweest met dodelijke afloop.”

Lees ook: Het lunchinterview met Nathan Vos die nabestaanden sprak van mannen die uit het leven stapten

Ja, ze verwacht kritiek dat ze het boek heeft geschreven. „Een boek van de ex-vrouw, tegen wie Joost jarenlang heeft gestreden, dat moet wel rancuneus zijn.” Ze haalt haar schouders op en zegt: „Ik heb liever kritiek op wat ik heb gedaan, dan op wat ik zou hebben gedaan.” Als je haar boos wil krijgen, moet je vragen of haar boek niet vervelend is voor de kinderen. „Weet je wat moeilijk is voor de kinderen? Zijn zelfgekozen dood. Dat er op hun vaders begrafenis aanvankelijk geen plek voor ons was in de zaal. Dat niemand van de sprekers daar het woord tot hen heeft gericht.” En daarna de stroom publicaties van anderen over hun vader. „Ik mag ook mijn stem laten horen.” Van haar hoeven de kinderen haar boek niet te lezen, maar áls ze het doen, zullen ze merken dat zij hun vader niet onderuit haalt.

Over Joost Zwagerman zit een stolp, zegt zij. „Na zijn dood klonken er blaasgeschal en tromgeroffel. Geweldige schrijver. Fantastisch mens. Dat beeld van hem moest intact blijven.” Maar het beeld is onvolledig, zegt zij. „Want hij heeft zelfmoord gepleegd en dat roept heel veel vragen op. Vragen die we mogen beantwoorden.” Zij laat zien wie hij óók was. Want als iemand hem goed gekend heeft, dan zij wel. „Ik zeg wel eens: ik wás Joost Zwagerman.” Ze heeft hem, postuum, geprobeerd te analyseren. „Voor Joost had dit ook een bevrijding kunnen zijn. Hij kwam niet meer af van zijn imago, hij begreep zichzelf daardoor niet meer.”

Zij zat ook gevangen onder de stolp. „Hij de goeierik, ik de slechterik.” Zij is er onderuit. Ze slaat een denkbeeldig boek dicht. „Dit was het jongens, dit heb ik meegemaakt, zo denk ik dat het zit.” Ze is benieuwd wat er nu zal gebeuren. Waar hoopt ze op? Ze slikt, voor het eerst echt geëmotioneerd. „Ik hoop dat het gewone rouwproces kan beginnen. En dat ik daarna verder kan met mijn leven.”