Jacques Waisvisz (1918-2020) wilde niet onderduiken, maar vechten

De laatste bladzijde In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Jacques Waisvisz (1918-2020) was parachutist op D-day. Na ’45 lonkte de scheikunde. En de jazz.

Jacques Waisvisz in 2019
Jacques Waisvisz in 2019 Foto Ton Spruit

Het leven van Jacques Waisvisz is net zo spectaculair en dramatisch als het fictieve personage uit het boek De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween. Waisvisz, in 1918 geboren in Soerabaja, was Engelandvaarder, ontdekker van de schimmelwerende stof natamycine, organisator van jazz-concerten, verwoed zendamateur en trad tweemaal in het huwelijk, eerst met een Zwitserse, later met een Nederlandse.

In 1938 gaat hij in Leiden scheikunde studeren, doet er voor zijn plezier natuurkunde en Chinees bij en verdient zijn geld als afwasser. Geconfronteerd met de oorlogsdreiging neemt hij zijn maatregelen. Hij wil niet onderduiken, maar vechten. Een poging om met een bootje naar Engeland te varen, loopt op niets uit. Wanneer in 1942 het dragen van een Jodenster verplicht wordt gesteld, weet Jacques zijn ouders te overtuigen om gedrieën te vluchten. Ze laten alles achter – huis in Rijswijk, horloge-zaak in Den Haag. Met zijn drieën bereiken ze deels per trein, deels te voet Frankrijk, maar na een razzia verliezen ze elkaar uit het oog. Jacques weet uit een kamp te ontsnappen en bereikt via de Pyreneeën Spanje. In Barcelona meldt hij zich bij het Nederlandse consulaat, dat ervoor zorgt dat hij naar Engeland kan.

Daar wordt hij opgeleid tot paratroeper. Met zijn regiment vecht hij in België en Italië, en wordt hij op de avond voor D-day als parachutist per ongeluk achter de linies gedropt. Hij weet zich aan te sluiten bij een ander regiment, dat de batterij van Merville, de verdedigingslinie van Duitsers, moet uitschakelen. Dat lukt, maar veel soldaten om hem heen sneuvelen.

Wanneer hij in 1945 terugkeert naar zijn ouderlijk huis in Rijswijk, blijken zijn vader en moeder nog te leven. Zij waren erin geslaagd naar Zwitserland te ontkomen. Broer Gabriël, getrouwd met een niet-Joodse vrouw, had ondergedoken gezeten in Nederland. Zijn grootouders en overige familieleden zijn allen omgekomen in Sobibor.

Waisvisz in 1958

Foto privécollectie

„Over de oorlog praatte mijn vader niet graag”, vertelt Jeannot, zoon uit zijn tweede huwelijk. „Hij vond dat hij gedaan heeft wat hij moest doen. In september 1945 pikte mijn vader zijn studie chemie weer op. Vijf jaar later na voltooiing, kon hij overal een baan krijgen. De wereld lag voor hem open, maar hij koos voor de Gistfabriek in Delft, die hij kende omdat hij in het naburige Rijswijk was opgegroeid. Ook was het voor hem belangrijk dat het een middelgrote onderneming was waar een familiegevoel heerste.”

Bijzonder is de ontmoeting met zijn baas. Op zijn eerste werkdag beklimt Jacques de hoge fabrieksschoorsteen naast zijn laboratorium en wordt hij door een heer, keurig in het pak, gesommeerd naar beneden te komen. Dat is ir. Van Leeuwen.

In Delft voelt Jacques zich thuis, wordt hij hoofd van het organisch lab en zal hij in 1955 natamycine ontdekken, een stofje dat een schimmelwerende functie heeft en in coatings van kaas en worst wordt gebruikt om bederf te voorkomen. Natamycine wordt een belangrijke inkomstenbron van Gist Brocades (later DSM). Jeannot: „Bijzonder is dat mijn vader dit eigenlijk illegaal heeft gedaan. Hij had samen met collega Piet Struijk een aanpak verzonnen om schimmelwerende stofjes te verzamelen. Ze vroegen medewerkers en vrienden die naar verre oorden reisden, om bodemmonsters mee te nemen. De gistfabriek was nogal netjes en had strenge protocollen. Mijn vader liet de bodemmonsters in het geheim testen, en legde, overtuigd van zijn vondst, het uit Pietermaritzburg, Zuid-Afrika afkomstige stofje op het bureau van zijn baas Van Leeuwen.” Deze zal Jacques later vragen onderdirecteur te worden, maar daar voelt hij niets voor: „Nee, dan moet ik de hele tijd met u praten.” Het typeert de eigenzinnigheid en humor van de man, die altijd rebels zal blijven denken en handelen.

Bekijk ook deze fotoserie uit 2019: 75 jaar na D-Day: dit zijn de mannen die in Normandië vochten

Begin jaren zeventig is Jacques een van de oprichters van Smør jazz, een podium voor eigentijdse jazz. Hij organiseert als liefhebber van geïmproviseerde jazz vijftien jaar lang concerten in het Delftse Waagtheater. Hij zit dan met zijn cassetterecorder en microfoon op de eerste rij om het concert op te nemen. Dat doet hij ook bij het Bimhuis en De IJsbreker. De 1.500 bandopnames zal hij later schenken aan het Nederlands Jazz Archief.

In 2015 breekt Jacques bij een val zijn bovenbeen en moet hij revalideren in een zorghotel. „Daar begon het kwakkelen”, weet Anna van Harrewijn, die de afgelopen zestien jaar zijn vriendin was. „Hij vond het heel erg om het autorijden te moeten opgeven.” Samen met ‘chauffeur’ Anna blijft hij het Bimhuis en Concertgebouw bezoeken, maar kan hij ondanks twee gehoorapparaten niet meer optimaal van de muziek genieten.

Op 5 februari neemt Jacques, zittend in zijn fauteuil, in aanwezigheid van Jeannot en Anna afscheid van de wereld. Hij laat twee zonen achter en zes kleindochters. Zoon Michel uit zijn eerste huwelijk overleed in 2008.