Monument voor de laatste bom op Rotterdam

WO II Het is 75 jaar geleden dat er, weken voor de bevrijding, een Duitse bom op een Rotterdamse woonwijk viel. Door een initiatief van de buurt krijgt dat ‘vergeten’ bombardement nu zijn eigen herdenkingsmonument.

Vanuit de binnentuin is te zien dat de hoek Treubstraat/Kerdijkstraat is weggeslagen. De tante van Bep Goedhart werd in die tuin gevonden, ruim veertig meter van haar appartement.
Vanuit de binnentuin is te zien dat de hoek Treubstraat/Kerdijkstraat is weggeslagen. De tante van Bep Goedhart werd in die tuin gevonden, ruim veertig meter van haar appartement. Foto Hollandse Hoogte

‘Daar was het.” Bep Goedhart wijst naar de hoek waar nu moskee De Middenweg staat; een hoekig, kaal pand dat sterk afsteekt tegen de andere gebouwen rond het pleintje in Bergpolder. „Het tweede raam op de hoek was van mijn oom en tante. En de V1 kwam daarvandaan” – ze wijst richting het noordoosten. „Hij heeft eerst het dak van de Treubstraat gepakt, en kwam toen schuin naar beneden, precies waar mijn oom en tante woonden aan de Kerdijkstraat.”

De oom en tante van de toen 12-jarige Bep Goedhart kwamen om. Foto Walter Herfst

Dan wijst Bep Goedhart naar de overkant van het pleintje, ruim dertig meter van de moskee. „Daar hebben ze oom Harry gevonden, tegen de gevel van de boekhandel. Er lag een hele berg puin van de explosie, maar een deel van het puin was zacht. Daar was hij. Zijn handen waren verkrampt, als klauwen. Ik heb altijd gedacht dat dat van de schrik was, toen de V1 eerst de daken aan de overkant raakte.”

Bep Goedhart heeft zelf de ravage van de inslag niet gezien, maar het verslag gehoord van haar opa – de vader van oom Harry. Die moest op 18 maart 1945 zijn zoon en schoondochter identificeren in het sportfondsenbad, waar alle lichamen en lichaamsdelen verzameld werden. „Van mijn oom was zijn halve gezicht weggeslagen, maar tante Mies was ongeschonden. Ze was alleen helemaal opgezwollen, omdat van binnen alles kapot was.” Wel zat de 12-jarige Bep door de enorme dreun van de bominslag direct rechtop in bed, net aan de andere kant van de Schieweg, om 07.15 uur op zondagochtend. „‘Mamma, bommen, mamma, bommen’, riep ik.” Vanuit het raam zag ze het puin door de lucht vliegen, boven de daken uit. „Oh jee, dacht ik, dat is bij tante Mies en oom Harry in de buurt.” Haar moeder haalde direct de ouders van oom Harry – oma mee terug naar huis, opa naar de plaats des onheils.

Bedoeld voor Antwerpen

We weten niet zeker of het een V1 of een V2 was, zegt Frank Zwinkels. Hij is een van de initiatiefnemers van de herdenking van dit ‘vergeten bombardement’. Woensdag is het precies 75 jaar geleden dat de verdwaalde bom, vermoedelijk bedoeld voor het al bevrijde Antwerpen, een huizenblok wegvaagde en aan ruim dertig mensen het leven kostte. Dan wordt op het plein een kunstwerk onthuld, gemaakt in opdracht van de bewoners van de wijk.

Een gedenkteken, want het bombardement was nagenoeg vergeten toen Zwinkels zich erin ging verdiepen met buurtbewoner Ewoud Kieviet. Zwinkels was eerder verantwoordelijk voor de vernieuwing van ‘buitenmuseum Bergpolder’, een paar jaar geleden: een route door de buurt langs historisch relevante plekken, gemarkeerd met informatieborden. Er bleken zich dingen in de wijk te hebben afgespeeld waar hij geen idee van had.

Aan de plek van de bominslag kon je wel altijd zien dat er iets gebeurd moest zijn. De rij huizen aan de Treubstraat wordt plotseling afgekapt bij een zijgevel die niet meer dan een tussenmuur moet zijn geweest. Datzelfde zie je aan de Kerdijkstraat: een abrupt gestopt huizenblok. Zwinkels plaatste in september 2016 een oproep in de wijkkrant met de vraag wie er meer wist van deze plek. „Aanvankelijk kreeg ik geen reactie, maar in januari kreeg ik ineens een telefoontje: ik geloof dat je me zoekt.” Dat was een man uit een gezin van acht die met zijn broer als enige het bombardement had overleefd: de broers Verweij. Jos was 3 tijdens het bombardement (nu 78) en Ben was 5 (nu 80).

Toen Zwinkels vervolgens nog een oproep plaatste in de Oud-Rotterdammer en het onderwerp op RTV Rijnmond was geweest, stroomden de reacties binnen – en werd ook steeds duidelijker wat er was gebeurd en hoe ingrijpend dat was geweest.

De meeste slachtoffers waren vrouwen en kinderen. In de toen nog vrij nieuwe wijk woonden veel gezinnen, en na een grote razzia in november 1944 waren er nauwelijks mannen thuis. Marinus van Wezel wel, hij was net thuisgekomen na zijn ontsnapping uit het werkkamp – ze hadden op zaterdagavond een feestje voor zijn terugkeer. Zijn laatste feestje, want zondagochtend viel de bom. Zwinkels: „Het was ’s morgens om kwart over zeven, veel mensen lagen nog in bed. ‘Ik was net bij mijn ouders in bed gekropen’, hoorden we steeds terug. Het was spertijd, dus donker op straat en in huis.”

De ontploffing moet enorm geweest zijn. Er was een krater waar het blok stond, in de wijde omgeving waren de ramen kapot en zelfs op Zuid was de klap te horen. De lichamen werden naar het sportfondsenbad gebracht, nu het Van Maanenbad. Maar door de kracht van de inslag werd niet iedereen teruggevonden, en lange tijd was niet duidelijk hoeveel mensen precies waren overleden.

Buurtbewoner Dik Happee is het stadsarchief ingedoken en heeft het achterhaald. Er zijn 34 mensen overleden, en bij de onthulling van het monument woensdag worden hun namen voorgelezen door kinderen van de school in de buurt, de Blijberg. „We hebben ook een programma voor scholen gemaakt over dit onderwerp”, zegt Zwinkels. „Ik heb op 20 februari in verschillende klassen de verhalen verteld, zodat het niet weer vergeten wordt.”

Waar op 18 maart 1945 een vergis-V1 neerkwam wordt ter herdenking nu een kunstwerk geplaatst. Foto Walter Herfst

Gedenkteken

Twee jaar geleden werd het bombardement voor het eerst herdacht. Mede door oproepen in de media was het druk; er kwamen 350 mensen, veel van hen hadden het bombardement als kind meegemaakt. „Het was natuurlijk 73 jaar later. Er kwamen mensen die elkaar zo lang niet hadden gezien. Mensen zagen jeugdvrienden terug, en jeugdliefdes.”

Later ontstond het idee een echt gedenkteken te plaatsen. Dat was een avontuur op zich, herinneren Frank Zwinkels en Ewoud Kieviet zich. Eerst moest er geld komen. De wijkraad gaf een deel, de rest hebben ze gekregen van fondsen. „Er komt een groot beeld. Verder kan ik er nog niets over zeggen, maar er was ‘echt geld’ voor nodig”, zegt Kieviet.

Ze maakten een selectie van drie kunstenaars die bekend waren bij het Centrum Beeldende Kunst (CBK) Rotterdam, die na gesprekken met de herdenkingscommissie schetsen maakten. Kieviet: „Wij hebben gekozen voor Hans Muller. Dat was afgelopen zomer, en het CBK zei: dat gaat je nooit lukken voor 18 maart.” De mannen glimlachen een tikje zelfvoldaan. Wel dus. Ook leuk: het ontwerp voor dit gedenkteken is het éérste gedenkteken dat is goedgekeurd door de Commissie van advies inzake straatnamen en gedenktekens – kortweg de straatnamencommissie. Die commissie beslist sinds 2018 niet alleen over de straatnamen (dat deed ze al sinds 1941) maar ook over gedenktekens. Herdenken is belangrijk, vindt de gemeente, maar er moet wel aan bepaalde standaarden worden voldaan.

Twee trouwringen

Bep Goedhart zal er ook bij zijn woensdag, deo volente. Haar herinneringen aan die tijd zijn nog helder. „Na de identificatie kwam opa naar ons toe. Er werd gebeld, mijn moeder en oma zaten in de kamer, en ik trok met het touw de deur open. Mijn opa stond daar beneden, huilend. Hij pakte de trapleuning en op zijn hand lagen twee trouwringen. En zo, huilend, niets zeggend, met die trouwringen, kwam hij naar boven. Nou, dat beeld raak je nooit meer kwijt.”

Foto Walter Herfst

Het was hongerwinter, en er was nauwelijks materiaal voor kisten. Maar opa Goedhart heeft nog twee kisten kunnen regelen. „Maar ze waren meer karton dan hout.” Er was al helemaal geen benzine, dus de kisten werden op een handkar gezet. Goedhart: „Ik zie ons nog lopen naar de begraafplaats in Crooswijk. We zouden de bocht nemen, vlak voor de ingang, en toen brak de linkeras. De kisten konden nog net op tijd worden opgevangen. En er waren genoeg mensen om de kar half te dragen. En zo, krakkemikkig, letterlijk, zijn we naar de begraafplaats gegaan.”

Goedhart herinnert zich een soort „massagraf”. „Ik kan me herinneren dat er al kisten in lagen en daar zijn die kisten opgezet. Mijn tante was gek op blauwe druifjes, en het was de tijd, dus die heb ik in het graf gestrooid.”

Goedhart had een goede band met haar oom en tante. Ze was een verlegen kind („Je zou het niet meer zeggen, ik sta nu overal vooraan”) en bij hen voelde ze zich op haar gemak. „Ik had kort voor het bombardement voor het eerst daar gelogeerd, nou dat was wel wat.”

Het bombardement, hoewel zeer verdrietig, heeft haar geen trauma opgeleverd, zegt ze. Het was oorlog, er gebeurden veel nare dingen. Zoals het grote bombardement op 14 mei 1940. „Ik ben in de middag met mijn moeder over de Schiekade richting de stad gelopen, Nog, als ik eraan denk, ruik ik de geur. Het brandde. Alles, alles brandde.”

Ze zag tijdens de hongerwinter mensen dood op straat liggen. „Die waren ter plekke overleden. Heel gek, je signaleert het, maar je zit zo in de akelige sfeer, dan verwerk je het – zo gaat dat. Het is niet zo dat ik daar huilend rondliep.”

Of de keer dat ze met een buurjongetje richting het Hofplein ging met haar step, en ze droge knallen hoorde. „Net voordat we bij het plein aankwamen, bij dat viaduct, waren vijf of zes mannen gefusilleerd. We zagen ze zó liggen, ze waren net in elkaar gezakt. Uiteindelijk kwam dit bombardement als laatste, en dat was het ergste.”

Het heeft haar opa gebroken, zegt ze. „Hij heeft de draad weer opgepakt – hij had natuurlijk zijn bedrijf, de zaak – maar het verdriet straalde eigenlijk van hem af, zo flink als hij was. Oom Harry was zijn jongste zoon, zijn benjamin.”