Recensie

Recensie

Een handleiding tegen racisme

‘Maak jezelf van kant.’ ‘Ik weet waar jij woont, ik ga je kapotmaken.’ Honderden berichten in deze trant ontvangt Dalilla Hermans in november 2016. Haar kinderen worden bedreigd, ze ontvangt foto’s van penissen met verkrachtingsscenario’s en plaatjes van lynchpartijen waarop haar hoofd geplakt is. De aanleiding: de avond ervoor had ze bij de Vlaamse publieke omroep een pleidooi tegen Zwarte Piet gehouden.

Hermans (1986), als peuter geadopteerd uit Rwanda, schreef in 2014 een open brief over racisme. Die ging viraal, en uiteindelijk werd ze een van de belangrijkste stemmen over het onderwerp – zo niet de belangrijkste – in het Vlaamse publieke debat. Boze berichten, beledigingen en bedreigingen werden in de loop der jaren voor haar ‘normaal’. Het is een van de redenen dat ze ermee stopt, schrijft ze in Het laatste wat ik nog wil zeggen over racisme. Ze gaat met activistenpensioen, en geeft de fakkel door.

Lees ook ons eerdere interview met Dalilla Hermans: ‘Ik heb heel lang niet in het openbaar bananen durven eten’

Voordat Hermans haar ‘woke’-moment had, vertelt ze in het boekje, was ze zelf iemand die racisme relativeerde. Tot een voorval aan de bushalte daar abrupt een eind aan maakte. Ze had haar neus gesnoten en een stukje van de zakdoek was blijven plakken. Een man wees haar erop. Om daarna tegen een vriend te zeggen: ‘Dat is zoals bij kinderen, die negers, je moet die alles leren.’

Misschien maakt juist het feit dat ze ooit aan de andere kant stond haar tot de bruggenbouwer die ze de laatste jaren in Vlaanderen probeerde te zijn. Ze kreeg een column in De Standaard en verscheen in allerhande programma’s om uit te leggen hoe de wereld eruitziet voor mensen van kleur, om begrip en empathie te creëren, en zo racisme te bestrijden. Op die manier werd Hermans, in zekere zin ongewenst, een van de weinige boegbeelden van de zwarte gemeenschap in de Vlaamse media.

Hoewel ze in haar boek blijft pleiten voor onderling begrip, klinkt ook vermoeidheid door. Over de bedreigingen, over de kritiek uit activistische hoeken dat ze te soft is, maar toch het meest over de vooruitgang die soms ver te zoeken is.

Toch blijft Hermans oproepen tot geduld. In haar eerste boek Brief aan Cooper en de wereld beschreef ze alledaags en structureel racisme door middel van haar eigen levensverhaal en reikte ze hoopvolle oplossingen aan. Dit boek leest, opnieuw via anekdotes uit haar eigen leven, als een handleiding voor de nieuwe generatie, die minstens even relevant is voor media en beleidsmakers. Want de oplossing waarvan Hermans uiteindelijk hoopt dat die wel veel resultaat kan bieden, is representatie: rolmodellen aan wie een nieuwe generatie zich kan optrekken en die tot nu toe (te) weinig plaats krijgen. Erg vernieuwend is dat pleidooi niet, maar de boodschap kan wel wat herhaling gebruiken.