Recensie

Recensie Boeken

De schrijver geeft zich bloot. Of niet?

Ted van Lieshout Een experimenteel boek over bloot – van blootgeven tot bloot in kunst – intrigeert door de vorm. De inhoud blijft achter.

Illustratie Paul van der Steen

Een anekdote over het Vaticaan: ‘Weet je dat ze daar de grootste verzameling erotische kunst en parafernalia ter wereld hebben?’ De kerk was namelijk zo vriendelijk om voor gelovigen te keuren of een kunstwerk met bloot erop ‘wel door de katholieke beugel kon’. Onaanvaardbare kunst verdween achter slot en grendel. ‘Alleen onder bijzondere voorwaarden mogen uitverkorenen deze schatten aanschouwen’, schrijft Ted van Lieshout.

Mooi verhaal, weliswaar van bedenkelijke betrouwbaarheid, maar dat zal Van Lieshout (1955) voor lief nemen, omdat, zoals hij elders in het boek schrijft, ‘wat ik schrijf mijn mening of visie is en geen kunsthistorisch relaas’. Het bewijst maar dat zijn nieuwe boek Bloot uiteindelijk een roman is, en beoordeeld moet worden naar de regels van die kunst: in een roman mag de boel verzonnen zijn, dat maakt niet uit. Toch word je niet bepaald in die leeshouding gedwongen: Bloot is vermomd als brievenboek, wat weer de vermomming is van een mix van kunstenaarsmemoires en kunstbeschouwing, inclusief reproducties van kunstwerken.

Aanvankelijk maakt die hybride vorm nieuwsgierig – het is spannend om te zien hoe Van Lieshout in Bloot weer een onvoorspelbare kant op gaat. Dat doet hij vaker: zijn romans voor volwassenen, Mijn meneer (2012) en Schuldig kind (2017), die verwerkingen waren van zijn eigen ervaringen als kind met een volwassen pedofiel, waren opzienbarend en grensverleggend, omdat ze tegen het heersende discours over pedofilie in gingen. Schuldig kind had bovendien, net als veel van Van Lieshouts kinderliteratuur, een gedurfde vorm: het was de fictieve dialoog van de volwassen schrijver Ted met zijn vijftienjarige versie.

Ongekleed en uitgekleed

Bloot intrigeert ook door de vorm: het begint met een verhaal over een oude gravure van een ‘galgenveld’ in de zestiende eeuw, dat Van Lieshout al lang bezighoudt. Want waarom hangen de opgeknoopte mensen daar naakt? Hij wil het weten voor een kinderboek dat hij in de pen heeft over blootheid in de kunst – eerder, zo weet de Van Lieshout-lezer, opende hij in boeken als Papieren Museum de poorten van de beeldende kunst voor kinderen. Speurend neemt hij contact op met ene Frank Oldekerk, die schuilgaat achter het e-mailadres info@amsterdamsstadsarchief.nl, die hem iets verder helpt en met wie dan een mailcorrespondentie losbarst, die de rest van het boek zal duren.

Een slimme vorm, want die dwingt lezersgeduld af: de correspondentie zal vast interessant worden, denk je, maar je kunt van twee argeloos schrijvende mensen niet verwachten dat alles meteen reusachtig interessant en ter zake is – dat kómt wel (of niet: zie Vrienden van Tim Krabbé). Daarom lees je door, over wederdopers, Jan Luyken, Van Lieshouts literaire archief en het wegdoen daarvan aan een museum, voorts over exhibitionisme, kwetsbaarheid, het verschil tussen ‘naakt’ en ‘bloot’ (respectievelijk ‘ongekleed’ en ‘uitgekleed’, waardoor ‘bloot’ een pikantere lading heeft). Het is lezen als varen in een rondvaartboot: je wordt meegevoerd en hoort over allerlei zaken waarbij je zelf misschien niet zou stilstaan, maar zo kom je nog eens iets interessants tegen.

Lees ook: Leve de aanstoot, maak van het museum geen ‘safe space’

In die veelheid van onderwerpen is bloot het terugkerende thema. Als in: je bloot geven. Maar ook: bloot in kunst. Twee lijnen in het ‘verhaal’ in Bloot hangen daar bovendien mee samen. Ten eerste zit er een zekere ongelijkheid in de communicatie: Van Lieshout is de aangever die veel deelt, archivaris Oldekerk doet dat niet – hij vertelt minder over zijn privéleven, wat de vraag oproept: waaróm geeft hij zich niet bloot? Ten tweede vertelt Van Lieshout over zijn plan om een kinderboek over bloot in de kunst te schrijven, uit (kunst-)emancipatoire overwegingen: als een kind kunst kent uit een boek, wordt de drempel naar een museum lager. Maar hij voelt maatschappelijke tegenwind: wat ‘kan’ er nog? De woorden ‘bloot’ en ‘kind’ staan al nauwelijks ontspannen samen in een zin. Welke hedendaagse ouder geeft zijn kind een boek met blote plaatjes erin?

Opvoedmoraal

Wanneer het over (vermeend) exhibitionisme gaat is Bloot het interessantst. Bijvoorbeeld wanneer Van Lieshout vertelt waaróm hij zich blootgeeft: ‘Ik ben niet open over mezelf omdat ik me zo graag blootgeef, maar omdat ik het belangrijk vind dat mensen die anders zijn dan wat klakkeloos wordt aangenomen – man, wit, hetero – een gezicht behouden.’ Dat weerklinkt wanneer Oldekerk protesteert tegen Van Lieshouts ‘outen’ van kunstenaar Hendrick Goltzius als homo, en Van Lieshout stelt: ‘Als je op grond van sterke aanwijzingen en vermoedens niet kunt suggereren dat iemand homo was, wis je homo’s uit de geschiedenis.’

Minder interessant is wat hij schrijft over bloot in de kunst – nochtans een onderwerp dat zo in de aandacht staat dat er nood is aan intelligente analyses. De oorzaak voor de nieuwe preutsheid ligt misschien bij de ‘multiculturele samenleving’, herhaalt hij het cliché, maar veel verder gaat het niet. Het is vooral érg dat het niet meer kan. Ook het denken over het blootkunstboek (en zodoende over opvoedmoraal, over wat volwassen opvoeders aan kinderen meegeven) stokt snel, eigenlijk al bij praktische bezwaren over verkoopaantallen. Daarmee ontbreekt het in Bloot aan een stevige ruggengraat.

Brievenroman

Is het gek om dit boek te beoordelen op de kwaliteit van de analyse – het was toch een roman? Tja, denk ik: de non-fictieachtige beschouwingen vragen er wel om dat de analyse serieus genomen wordt. Tegelijk valt er ook wel wat aan te merken op Bloot als brievenroman. Een belangrijke eigenschap van dat genre is de wisselwerking tussen de stemmen – dat maakte Schuldig kind goed. Nu zégt Van Lieshout wel dat Oldekerk hem telkens op nieuwe gedachten brengt, maar verrassend zijn die niet – het zijn kleine verschuivingen. Bovendien vallen de overeenkomsten tussen hun beider toon en karakters op, wat nog versterkt wordt door onthullingen in het boek over Oldekerks privéleven: die passen wonderwel in Van Lieshouts thematiek. Het maakt de archivaris als personage ongeloofwaardig – het idee dat Oldekerk iemand anders is dan Van Lieshout, ga je steeds meer betwijfelen.

Als Oldekerk fictie is en de correspondentie dus gefingeerd is, wat is dit boek dán? Dan blijft Bloot steken op het niveau van het vormexperiment, waarin niets echt blootgegeven wordt: het verhaal waaiert vele kanten op blijft matig uitgewerkt. Je zou Bloot dan nog kunnen waarderen als reeks anekdotes en theorietjes, waar Van Lieshout heilig in gelooft. Verhalen en anekdotes dragen bij ‘aan de menselijke maat van kunst en kunstenaars’, schrijft hij – maar je zou willen dat Van Lieshout erbij zei waaróm die menselijke maat zo van belang is. Mogelijk denkt hij dat zijn lezers dat, net als hij, allang duidelijk vinden. Precies daarom is Bloot onbevredigend.