Recensie

Recensie Boeken

De onuitputtelijke verwondering van Schippers

Het was volgens mij Nico Dijkshoorn die eens in het muziektijdschrift Wahwah schreef over een hongerige Amerikaanse bluesartiest die een kip had bereid in een waterkoker. In Andermans wegen lezen we ook over zo’n vorm van geïmproviseerde huisvlijt, als K. Schippers schrijft over een winterdag, in de jaren veertig, toen Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek en Jan Hanlo in het Amsterdamse café Eijlders een gesprek voerden over de bittere kou. Hoe Hanlo zijn kamer warm hield, wilde iemand weten. ‘Met een broodrooster.’ Zijn kamer was klein, drie bij vier meter, de dichter noemde het ‘een broodtrommel’. Een broodtrommel verwarm je met een broodrooster: het klinkt eigenlijk best logisch.

Er staan meer van dit soort anekdotes in Andermans wegen, het boek waarin Schippers in 31 stukken kunstbroeders over- en herdenkt. Soms zijn dat schrijvers en soms kende hij hen persoonlijk (Hans Faverey, Jan Hanlo), maar er worden ook mensen uit andere disciplines gememoreerd die hem alleen via hun medium bereikten. Dat zijn misschien nog wel de mooiste en meest bevlogen stukken; Schippers sleept je daarin mee in de extra dimensie die de kunst aan het gewone leven kan geven. Zo herbeleven we in ‘Een wolkbreuk na Tuschinski’ met hem de vertoning van The Apartment van Billy Wilder en maakt hij invoelbaar hoe de Amerikaanse cineast voor even een magisch floers legde over het Amsterdam van 1960. Je voelt Schippers de ervaring rekken en rekken, want de broodtrommel wacht.

Andere stukken, waarin Schippers zijn onuitputtelijke verwondering en opmerkzaamheid tentoonspreidt, vereisen een wat geduldiger lezerstemperament. In ‘Over Jan Roeland’, dat overigens aftrapt met de bevreemdende zin: ‘In de zomer van 1965 kreeg ik een telefoontje dat je leven verandert’, gaat het bijvoorbeeld over zijn poging om een gedicht te schrijven over ‘wat je kunt doen vlak voor je een appel eet’. En in ‘Oostende’ lezen we: ‘Je merkt pas dat je in slaap bent gevallen als je weer wakker wordt.’

Voor Schippers’ schrijven geldt vaak dat de ruimte óm het te schrijven er inderdaad lag, maar wij keken er zelf overheen. Ook in een journalistiek verhaal over de opening van museum Belvédère in Heerenveen loop je tegen een zin aan die ook geïsoleerd indruk maakt: ‘Hij wilde ontkomen aan wat hij zelf had veroorzaakt, gaf de kunst eraan en begon een visrestaurant in Dronrijp.’

Andermans wegen laat zich lezen als een saluut aan mensen die anders dachten en daar stug mee doorgingen, net zolang tot de rest die blik, dat plan of die opvatting accepteerde. Hun gebouwen werden gebouwd, hun gedichten staan op stadsmuren en worden onderwezen. Die verwezenlijking kent ook een melancholische kant. ‘Nu Thoms museum wordt en eigenlijk al is geopend met Beatrix erbij’, schrijft Schippers over Thom Mercuur, de initiator van Belvédère, ‘kan hij er niet meer naar verlangen.’