Opinie

Als je zelf je taal moet uitvinden

Michel Krielaars

In haar aanstekelijke nieuwe essaybundel Unfinished Business. Notes of a Chronic Re-reader herleest de Amerikaanse schrijfster Vivian Gornick (1935) haar favoriete romans. Ze heeft het onder meer over de eerste generatie Amerikaans-Joodse schrijvers zoals Henry Roth, Saul Bellow en Bernard Malamud, wier ouders uit Europa vluchtten voor de pogroms van de tsaar. Vaak schrijven ze over hoe het was om als Jood in Amerika te moeten sappelen en achtergesteld te worden.

De immigratie-achtergrond van die schrijvers heeft een nieuw soort literatuur vol knappe taalvondsten opgeleverd. Dat komt doordat hun ouders vooral Jiddisj spraken en zij zich daarom het Engels zelf eigen moesten maken. En precies dat deed me denken aan hun evenknieën in de moderne Nederlandse letteren, schrijvers van Turkse of Marokkaanse komaf.

Met Gornick in mijn achterhoofd ga ik naar Poelenburg, een achterstandswijk in Zaanstad. Kinderen met een migratieachtergrond en ouders die thuis zelden Nederlands spreken krijgen er ‘verlengde leertijd’, een project waarmee ze tien uur per maand creatieve vakken volgen en speelser leren denken.

Op basisschool Tamarinde laat ‘juf’ Caroline Ligthart haar leerlingen schrijven, waardoor ze taalvaardiger worden. Ze zijn met zeven meisjes en twee jongens, in de leeftijd van tien tot twaalf jaar. In ‘spionnenboekjes’ hebben ze opgeschreven wat voor merkwaardigs ze de afgelopen week thuis en op straat hebben gehoord en gezien. Als warming-up verzint de groep met deze ingrediënten een verhaal.

Wat is jullie allemaal opgevallen?” vraagt Caroline, die behalve juf ook schrijfster is. Kenzalina steekt haar vinger op: „Ik hoorde mijn moeder bij de trap geheimen bespreken.” Sara: „Ik zag twee enge mannen uit een auto stappen.” Sophia: „Ik heb een eendengevecht gezien.” Belinay: „En ik een dikke, giftige vis en een boom met haar.” Ajda: „Bij lasergamen ben ik altijd laatste, maar in mijn droom was ik ineens eerste.” Ali: „In een winkel zag ik vier gevaarlijke mannen .” Sewin: „Gisteren wees Saïd me op een mooie kraai.”

„Kraaien staan voor onheil”, zegt Caroline. „Weet iemand wat onheil is?” De kinderen halen hun schouders op. Maar als Sewin zegt dat een zwarte kat ongeluk betekent, komen ze er alsnog uit. Yasmin vertelt nu dat ze op weg naar karate een enge man tegenkwam. „Hij was dun en had een grote zwarte snor.”

Dan beginnen ze aan hun gezamenlijke verhaal. Kenzalina trapt af: „Ik was mijn geheim in een boek aan het schrijven...” Ali: „... toen ik buiten vier enge mannen zag...” Yasmin: „... en het tijd werd om naar karate te gaan...” Sewin: „... maar toen ik omkeek zag ik een riviertje met een dikke, giftige vis...” Ajda: „... en ging ik naar de lasergamehal...” Ali:”... waar ik eerste werd...” Kenzalina: „... en een grote zwarte kraai zag...” Ajda: „... en behalve die kraai ook vier enge mannen...” Yasmin: „... en daarom rende ik naar huis waar ik op de bank ging zitten.”

Na de pauze schrijven ze verder aan hun individuele werk, een gefantaseerde ontdekkingsreis. Sewin blinkt uit met haar verhaal ‘De snoepwaterval’, over een waterval die pizza’s, chocola en zuurstokken uitspuwt. En Ajda schrijft in ‘De cobra’ de mooiste zin: ‘Tak voor tak kom ik dichterbij.’

Als ik de leerlingen vraag wat ze later willen worden zeggen de meeste meisjes: „Dokter.” Toch zal het me niet verbazen als een van hen schrijfster wordt.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.