Het Scandinavische ‘friluftsliv’ als oplossing voor de drukte van de stad

Buitenzijn Het leven in de stad stond Anne Grietje Franssen steeds meer tegen. Ze vertrok naar Zweden. Wat ze vond was friluftsliv, het buitenluchtleven in Scandinavië.

De Zweedse stad Göteborg.
De Zweedse stad Göteborg. Foto Getty Images

Friluftsliv (frie-loefts-lief): vrijeluchtleven, heel letterlijk. Ofwel: buitenluchtleven. Voordat ik naar Zweden verhuisde, had ik nog nooit van het begrip gehoord. Pas later, toen mijn Nederlandse leven ver achter me lag en ik het concept leerde kennen, zag ik in: dit was wel ongeveer waar ik naar op zoek was.

Het woord friluftsliv is, voor zover bekend, bedacht door de Noorse dichter en toneelschrijver Henrik Ibsen, in zijn epische gedicht På vidderne (Op de hoogvlakten) uit 1859. Het epos volgt een jongeman die huis en haard achterlaat om de bergen in te trekken. Zijn plan is terug te keren met rendiervachten voor zijn moeder en het buurmeisje, op wie hij zijn zinnen heeft gezet, maar dan komt hij een vreemdeling tegen die hem aanspoort al zijn schepen achter zich te verbranden en in de bergen te blijven.

In een stanza halverwege het gedicht introduceert Ibsen friluftsliv:

In de verlaten zithoek/

Verzamel ik mijn rijke vangst/

Er is een haard en er is een tafel/

Vrijeluchtleven voor mijn gedachten.

Amsterdam had me gaandeweg ingesloten. Er leek geen ontsnappen aan: het onophoudelijke verkeer dat op de kruising voor mijn woning gierend tot stilstand kwam. Geen ontsnappen aan mijn baan op de krantenredactie, waar ik, als een van de jongsten en slechtst-gecontracteerden, niet enthousiast genoeg ‘ja’ kon zeggen op alles dat me in de schoot geworpen werd.

Geen ontsnappen aan mijn Amsterdamse verleden, waardoor de week zich vulde zonder dat ik er erg in had. Eten met de moeder, de vader, de Montessori-vrienden die ik veel te lang niet had gezien, een uurtje sporten, boodschappen, maniakaal het nieuws bijhouden en voila; de nieuwe maandag diende zich alweer aan.

Was dit het nu?

Wat uiteindelijk doorslaggevend was, kan ik niet meer reconstrueren. Het enige dat ik weet is dat ik, een paar maanden nadat ik mijn los-vaste baan had opgezegd in de zomer van 2016, mijn bezittingen tot twee koffers had gereduceerd en op weg was naar Zweden. Zelfstandig Scandinavië-correspondent zou ik er worden, en najager van het goede leven, al was de invulling daarvan nog lang geen uitgemaakte zaak.

Lopende band

Het principe van de vlucht uit de stad lijkt net zo oud als de stad zelf. Met de industriële revolutie begon in de 19de eeuw een grootscheepse verhuizing van het platteland naar de stad. Voor de voormalig agrariërs was het een verhuizing van buiten naar binnen, van een ruraal bestaan naar een achter de lopende band.

In die tijd, vertelt Hans Gelter, friluftsliv-onderzoeker en voormalig docent aan de technische universiteit van Luleå, verschenen in Zweden vlak buiten de steden de eerste campings en stugor, de eenvoudige, houten vakantiehuisjes, waar de uitgeputte arbeider en zijn gezin koste-loos een dag of wat mochten vertoeven. De gedachte was dat ze zich na afloop weer helemaal opgeladen bij hun werkgever konden melden.

Lees ook alle artikelen uit onze wandelspecial.

In diezelfde periode werden in Noorwegen en Zweden de eerste landelijke buitensportverenigingen opgericht. Aan het eind van de 19de eeuw werden de Noorse toeristenvereniging en de Zweedse langlauf-associatie opgericht, die later tot Friluftsfrämjandet (de bevordering van friluftsliv) werd omgedoopt.

De Zweedse buitensportorganisatie was bedoeld als tegengif tegen de lange, eentonige werkdagen waartoe de bevolking was veroordeeld. „Ga mee skiën en word sterk en harmonisch!”, werd het credo van Friluftfrämjandet. De vereniging organiseerde tochtjes naar de fjäll, het uitgestrekte berglandschap in Noord-Zweden, waar de natuur alle stadskwalen zou helen.

Een eilandje in de buurt van Göteborg. Foto Getty Images

Ik maakte de fout m’n stadskwalen te willen helen in de stad. Mijn werk vereist de nabijheid van mensen om te interviewen en de mogelijkheid om meteen de trein te pakken naar ‘waar het allemaal gebeurt’. Ik wierp een blik op de kaart en koos voor Göteborg, aan de westkust van Zweden. Het was naar verluidt de groenste stad ter wereld en had een goede openbaarvervoeraansluiting met de Scandinavische hoofdsteden.

Ik begon in een eenkamerwoning in een stille woonwijk, vlak buiten het centrum. Mijn uitzicht werd nog steeds bepaald door de blokken beton van de monotone middenstandsappartementen. Bij aankomst probeerde ik mijn nieuwe thuis te passen in mijn ideaalbeeld van Zweden. ‘Lekker egalitair’, dacht ik nog even.

Simpel leven in de natuur

Ruim een halve eeuw nadat Ibsen het woord friluftsliv introduceerde, dook de term opnieuw op. Dit keer was het de Noorse ontdekkingsreiziger en wetenschapper Fridtjof Nansen die in 1921, op een bijeenkomst georganiseerd door de Noorse toeristenvereniging, aan het begrip zijn eigen invulling gaf, dat neerkwam op ‘een simpel leven in de natuur’.

De ontdekkingsreiziger zette het ware vrijeluchtleven af tegen een oppervlakkiger toerisme: dit laatste, meende hij, is slechts een vluchtige ontmoeting met de wildernis.

„Een belangrijk aspect van buitensportactiviteiten”, sprak Nansen, „zou toch friluftsliv moeten zijn: de mogelijkheid afstand te nemen van de mensenmassa’s, afstand van de voortdurende race (…) Om in de natuur te komen, in de openheid. Dit kan niet worden bereikt door de mensenmenigte te volgen.”

Hij besloot zijn toespraak met de vaststelling dat ‘het stadse leven uiteindelijk toch tegennatuurlijk is en zeker niet onze oorspronkelijke bestemming’.

In Nansens romantische lezing was de wildernis onze ‘oorspronkelijke bestemming’, ons ware thuis.

Ondertussen bleek mijn Göteborgse appartementje kleurlozer dan me lief was. Ik voelde me gevangen tussen de muren en kon het moeilijk verteren dat boven en onder me talloze mensen woonden, maar dat ik niemand van hen kende.

Op den duur was ik nauwelijks nog thuis. Ik leefde zowat in de bibliotheek, in cafés, de universiteit, op openbare plekken. Mijn rusteloosheid, het gevoel van zinloosheid; ze hadden iets andere gedaantes aangenomen dan in Amsterdam, maar ze waren er nog steeds.

Af en toe ging ik een dag naar de zuidelijke archipel van Göteborg voor een periodieke injectie van verstilling. „Even opladen”, had een ander misschien gezegd, al achtte ik dat stadium gepasseerd. Ik wilde niet opladen; ik wilde anders leven.

In de archipel was alles anders. Mijn stadspantser liet ik achter in de haven van Saltholmen en met de bootreis kwam de stilte. Ik nam plaats op het bovendek, rook de zee, keek uit over de rimpelingen van het water.

Waarom, dacht ik op een dag, zou ik nog naar de eilanden ontsnappen? Ik bedoel: als ik hier ook gewoon kan wonen.

Voor Noorwegen was de term friluftsliv van meet af aan verbonden met de nationale identiteit. De Noren werden pas in 1905 onafhankelijk, na eeuwen onder gezag te hebben gestaan van eerst Denemarken, daarna Zweden. Na hun onafhankelijkheid, vertelt Hans Gelter, hadden ze amper een eigen cultuur. „Ze hadden een nationale trots nodig en vonden die in de bergen.” Friluftsliv werd dat wat de Noren tot Noren maakte.

Ondertussen groeide in Zweden Friluftsfrämjandet uit van een langlaufvereniging voor arbeiders naar een soort padvinderij voor jan en alleman, ongeacht leeftijd of achtergrond. In de jaren 80 initieerde de organisatie iets ongehoords: de zogeheten I Ur och Skur-förskolor, ‘in-weer-en-wind-voorscholen’, voor kinderen van één tot en met vijf jaar. De natuur is er het primaire klaslokaal. Het werd een ongekend succes. De eerste I ur och skur-voorschool opende in 1985, in het jaar 2000 waren het er honderd, en nu, twintig jaar later, is dat aantal zo goed als verdubbeld.

Ik bezoek er een in Majorna, een voormalig arbeiderswijk in Göteborg. Het regent en de kleintjes zijn van top tot teen ingepakt in gevoerde en waterdichte overalls. Laarzen aan, muts op, en ravotten maar. Een paar kinderen klauteren over de rotsen achter het schooltje. Een ander groepje zit in een plas en voert een experiment uit: blijft een blad drijven, een tak, een steen? De jongsten doen hun middagdutje; ook buiten, opgesteld in kinderwagens.

Minder ziek

„We lunchen meestal binnen”, vertelt Andrea Hedenskog, de rector van het schooltje. „En we verschonen er de luiers. Maar de rest van de dag zijn we buiten.” Want ook midden in de stad is de natuur nooit ver weg. Slottsskogen, een flink stadsbos, ligt op loopafstand, en aan het voor-schoolgebouwtje grenst een grote tuin. Een gedeelte is verwilderd, met hoog gras, rotsen en een slingertouw.

Ik vraag wat het zoal oplevert, die hele dagen buitenzijn. „Heb je even?”, antwoordt Hedenskog. Het is een wereld van verschil met de reguliere förskola waar ze hiervoor werkte, vertelt ze. Om te beginnen zijn de kinderen veel minder vaak ziek. Ze krijgen meer daglicht en lucht, hun motoriek is beduidend beter dan die van kinderen die alleen op een vlakke ondergrond spelen, en ze hebben volgens Hedenskog lang niet zoveel last van het ‘van mij!’-syndroom. „Buiten hebben kinderen niet dezelfde behoefte hun bezit te beschermen. Er ligt niet één tak: er liggen er duizend.”

Daar komt bij dat de buitenvoorschoolkinderen zich vanaf hun eerste levensjaar vertrouwd maken met verschillende dieren en planten, met het veranderende weer, de seizoenen en het buitenzijn. Ze krijgen, zegt Hedenskog, van meet af aan een bewondering voor de natuur mee.

Buitenluchtleven is inmiddels ook in Zweden opgenomen in het overheidsbeleid – en wel voornamelijk vanuit pragmatisme. Sinds de millenniumwisseling drukken, volgens de Zweedse overheid, de kosten van stress op de werkvloer steeds zwaarder op het staatsbudget. In een beleidsvoorstel voor de volksgezondheid noemt de regering friluftsliv als een belangrijke remedie.

Iedereen is verbonden met de natuur, of je die verbinding nu cultiveert of niet. We zíjn de natuur.

Dus maakt Zweden de wildernis zo toegankelijk mogelijk. Daarmee verliest ze soms iets van haar wildernis, maar alles voor de gezonde zaak. Er komen wandel- en fietspaden, bewegwijzering, schuilhutten en openbare vuurplaatsen, voorzien van een stapel kant-en-klaar hout.

En de Zweden maken er gulzig gebruik van; volgens statistiekbureau SCB gaat 58 procent van de bevolking minstens een keer per maand de natuur in.

Post-modern friluftsliv, noemt Gelter dit. Gewoon buitenzijn is niet genoeg; het moet wel makkelijk, snel, en het liefst nog wat adrenaline opleveren.

Al is dit voor de vrijelucht-purist geen écht friluftsliv; eerder een vorm van natuurconsumptie. „Friluftsliv gaat niet over het consumeren van ervaringen, plekken of grondstoffen”, zegt Gelter. De moderne mens gebruikt de natuur veelal voor zijn eigen, specifieke doeleinden: als vlucht, als therapie (denk aan het ‘bosbad’, of bomen knuffelen), als heiligdom (de natuurretraite), als medicijn of als arena voor de nieuwste activiteit of uitrusting.

Friluftsliv vereist een regelmatig en langdurig buitenzijn en, met de woorden van Gelter, de ‘spirituele ervaring van een diepe verbondenheid met de natuur’.

Ware thuis

Iedereen is verbonden met de natuur, of je die verbinding nu cultiveert of niet. We zíjn de natuur. In het luidruchtige en vluchtige stadsleven is dat alleen makkelijk vergeten.

In het slot van het artikel over de filosofie van het vrijeluchtleven schrijft Gelter: „De levenskwaliteit die we zoeken, is niet te vinden in de beschaafde en stedelijke cultuur, maar in onze basale biologische functies, onze natuurlijke, ecologische habitat, in een ongestructureerd en complex milieu. In ons ware thuis.”

Begin 2018, na anderhalf jaar in de stad te hebben gewoond, vind ik mijn thuis op het eiland Brännö. Het leven gaat er langzaam; het tempo is stapvoets. Auto’s mogen er in ieder geval niet komen, dus loop ik, of fiets ik.

Brännö kent geen beton, geen flats, geen uitverkoop of winkels – op het gesubsidieerde eilandsupermarktje na dan, dat tevens het postkantoor is.

Het landschap is er open. De rotsige ondergrond is begroeid met grassen en mossen. Aan de westzijde van het eiland ligt een natuurgebied waar ik een paar keer per week kom om te lopen. In de nazomer pluk ik er duindoorn, bos- en appelbessen, kleuren mijn handen weken paars.

Friluftsliv is een veranderlijk concept, de invulling ervan afhankelijk van de tijdsgeest en je sociale milieu. Voor sommigen is het met elkaar bij een vuurtje op zondagmorgen, of een ritje met de sneeuwscooter; anderen beschouwen het als een levenslange ontmoeting met en toenadering tot de wildernis.

Voor mij is het: de stilte van het eiland. Het rietveld dat buiten mijn huisje meedeint met het weer. Het dagelijkse lopen, het van het pad afgaan, het klauteren over rotsen, het tot stilstand komen op een steen en daar dan gewoon een potje te zijn, zonder iets te doen of moeten.