Sperwer

Amsterdamse beestjes Stadsecoloog Remco Daalder schrijft op gezette tijden over de dieren en vogels in Amsterdam.

Sperwer.
Sperwer. Foto Denja1

De meeste sperwers huizen in het bos. Maar jij niet. Je zal wel gek zijn om in een koud en donker bos achter die paar spechten en merels aan te jagen. Verderop, in de stad, is het warmer en wemelt het in de winter van de vogels.

Toen je Amsterdam voor het eerst ging verkennen had je snel door dat de achtertuintjes en balkons daar vol hangen met pindasnoeren, vetbollen en zaadsilo’s. Daar verzamelen zich vogels die voor jou precies de goede maat hebben: vinken, groenlingen, mussen, mezen en spreeuwen. Uiteindelijk koos je voor Amsterdam-Noord als jachtterrein. Je vond een prima slaapboom op de Noorderbegraafplaats. En vanaf die basis ging je op jacht, de Banne in, waar je al snel de plekken wist waar tientallen hongerige vogels voederkorven plunderen.

Maar dan, hoe krijg je die te pakken. De gebruikelijke jachttechniek van sperwers is een verrassingsaanval waarbij je bomen en struiken als dekking gebruikt voor een razendsnelle vlucht richting prooi. In de stad werkt dat niet, bij gebrek aan voldoende begroeiing. Dus probeerde je het eerst van boven. Hoog boven de tuintjes hangend kon je precies zien wat daar beneden gebeurde. De ellende was dat je prooien jou ook konden zien. Je duikvlucht duurde nog geen 5 seconden, toch was er altijd wel een vogel die bijtijds alarmeerde, meestal zo’n verrekte koolmees, waarna al het gevogelte hem smeerde of diep in de struiken dekking zocht.

Dus ontwikkel je een andere jachttechniek. De tuintjes zijn aan de achterkant begrensd met schuttingen. Die schuttingen vormen samen het achterommetje, een donkere, nauwe straat tussen twee rijen tuintjes. Die straat gebruik je voor je aanval. Je vliegt laag over de grond tussen de schuttingen door, onzichtbaar voor de vogels in de tuinen, en knalt dan ineens over een schutting heen midden in het vogelgewoel.

Grote paniek. Mezen, vinken en spreeuwen vliegen alle kanten uit, vliegen tegen takken aan, weten niet waar ze heen moeten. Bijna achteloos grijp je een spreeuw met één van je poten. En valt ermee op het tuinpad. Je staat over de spreeuw heen gebogen, met gespreide vleugels, en je doodt je prooi door hem met je lange nagels te kneden, nagels die als dolkjes van een centimeter de interne organen vernietigen.

Terwijl je dat doet kijk je naar de tuindeur. Daarachter, binnen, staat een mens. Met je knalgele ogen kijk je hem aan. Hij kijkt terug. Hij bewondert je. En je begrijpt: deze mens voert geen vogeltjes, hij voert jou.

Stadsecoloog Remco Daalder schrijft hier op gezette tijden over de dieren en vogels in Amsterdam.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.