Recensie

Recensie Boeken

‘Rationaliteit’ is achtergebleven in het vorige decennium

Irrationaliteit Wetenschapsfilosoof Justin Smith schreef een geschiedenis van rationaliteit en irrationaliteit: de definities daarvan veranderen met de tijd. Ook nu weer zijn die begrippen aan herijking toe.

Foto Getty Images, bewerking NRC

Terwijl het winkelende publiek van Californië tot Massachusetts zich verdrong bij de schappen zeep en wc-papier, ging de Amerikaanse vicepresident Mike Pence voor in gebed. Op een foto die vorige week werd gedeeld is te zien hoe het corona-crisisteam in het Witte Huis vroom de hoofden buigt om een tafeltje met flesjes water en cola light terwijl Pence zijn bijdrage levert aan de bestrijding van het virus.

Het tafereel werd afkeurend becommentarieerd, maar echt opmerkelijk is het optreden van de vicepresident nauwelijks nog te noemen. De vraag naar wat ‘rationeel’ is wordt in het Witte Huis tenslotte allang als ondergeschikt beschouwd.

De Amerikaanse wetenschapsfilosoof Justin E.H. Smith (1972) beschrijft in zijn boek Irrationality hoe Trump zijn entree in de politieke arena maakte door in 2011 over Obama te beweren dat die niet op Amerikaanse bodem zou zijn geboren. In 2014 wierp hij zich op als anti-vax-apologeet. Sinds Trumps inauguratie, schrijft Smith, hebben zich steeds meer mensen bij de flat earth-beweging aangesloten, die volhoudt dat de aarde een schijf is en onze oceanen worden omsloten door een wand van ijs. Dat dit een gemakkelijk te falsificeren overtuiging is, schrijft Smith, laat juist zien dat de inhoud ervan minder van belang is dan de drijvende kracht van deze beweging, namelijk het ressentiment tegen het establishment. Het zogenaamde Overton-venster, het raamwerk voor ideeën die acceptabel lijken, is de laatste jaren significant opgeschoven, concludeert Smith.

In Irrationality. A History of the Dark Side of Reason geeft Smith, verbonden aan de Sorbonne, een overzicht van de geschiedenis van de rationaliteit, en de daaraan inherente geschiedenis van de irrationaliteit. Smith schaart iedere poging om orde te scheppen, om dood en verderf op afstand te houden en verzengende emoties te beheersen onder ‘rationaliteit’ – om meteen te onderstrepen dat dit altijd een vergeefse poging zal blijven. Met dat uitgangspunt kun je een geschiedenis schrijven van bijna alles wat de mensheid ooit cultiveerde, vreesde of veroordeelde, en Irrationality is dan ook een rijk maar grillig boek. Religieuze rituelen, maar ook rassenwetten schiepen orde, en werden een teken van beschaving gevonden. Wat als rationeel wordt gezien is dus nogal afhankelijk van plaats en tijd, ook al vindt de westerse mens dat hij er sinds ongeveer driehonderd jaar patent op heeft.

Destructieve fantast

Smith bekommert zich dan ook niet om definities, maar betoogt hoe rationaliteit steevast zijn antoniem in zich meedraagt. Hij illustreert zijn stelling met de mythe van de pythagoreïsche filosoof Hippasus (ca. 450 v.Chr.), die volgens de overlevering werd veroordeeld tot de verdrinkingsdood omdat hij ontdekte dat er in de geometrie een vreselijke onregelmatigheid schuilt: de diagonaal van een vierkant is een irrationaal getal. Dus zelfs de discipline die het meest zuiver rationeel werd geacht, was niet vrij van irrationaliteit. De bereidheid van de Pythagoreeërs om de ontdekker van deze onregelmatigheid in naam van de ratio te verdrinken is ook veelzeggend.

De mens werd sinds Aristoteles het redelijke dier gevonden, maar, beschrijft Smith uitvoerig, een Italiaanse diplomaat van het Vaticaan, Girolamo Rorario, redeneerde begin zestiende eeuw dat het wilde dier pas echt rationeel is omdat het nooit aarzelt en omdat het absurd zou zijn een beest een ‘verkeerde’ beslissing te verwijten. Rorario schreef in zijn traktaat dat juist de menselijke eigenschap om te twijfelen de mens irrationeel maakt, en leidt tot een feilbaar oordeelsvermogen. Het is een teveel aan voorstellingsvermogen dat ons rationeel maakt, en meteen ook dromer, of destructieve fantast.

Rijker en gezonder

De Verlichting vormde het moderne beeld van rationaliteit als een vermogen om onafhankelijk na te denken, dat iedereen bezit (maar onderontwikkeld is bij vrouwen en niet-Europeanen). Het optimisme dat eruit sprak, met name bij iemand als Leibniz, de filosoof die dacht dat elke familiestrubbeling of wereldoorlog voortaan kon worden bijgelegd door samen rationeel te zijn, werd wat getemperd door de grenzen van het zelf bedachte universalisme, die bleken te liggen waar de koloniën van de Europese machten begonnen. Uit naam van de rationaliteit werden volken weggevaagd; dat dit ook binnen Europa kon, bleek uit het nationaalsocialisme en het communisme, zoals al tijdens de Tweede Wereldoorlog is beschreven door Horkheimer en Adorno in De Dialektiek van de Verlichting.

Smith constateert dat ‘rationaliteit’ de laatste decennia vooral ‘winstmaximalisatie’ betekende, en een lang en gezond leven. Het is jammer dat hij zich in zijn overzicht niet verder toespitst op het ontstaan van deze interpretatie van rationaliteit, want hij is op zijn scherpst als het over recente geschiedenis gaat.

Die obsessie met winstmaximalisatie is de echo van de homo economicus, die zijn opgang maakte in de tweede helft van de twintigste eeuw, en die alles zou beredeneren op basis van een zuivere kosten-batenanalyse. Dat bleek al snel niets meer dan een wensdroom van economen, want mensen gedroegen zich niet als een actor in een model van de vrije markt. Maar gedragseconomen bedachten er iets op: mensen konden ook ‘genudged’, geduwd of verleid worden om iets rationeels te doen, als ze het dan niet van zichzelf waren.

Richard Thaler en Cass Sunstein schreven Nudge: Improving Decisions About Health, Wealth, and Happiness (2008); het idee was dat de overheid, of bedrijven, mensen konden verleiden om het ‘juiste’ te doen, in hun ogen dan, door de ‘keuze-architectuur’ aan te passen. De voorbeelden van Thaler en Sunstein (health en wealth) zijn relatief onschuldig, en gaan over dingen als de ‘gezonde keuze’ op ooghoogte aanbieden in het supermarktschap, een helm dragen op de fiets, en iemand meteen voor het donorregister laten tekenen bij het ophalen van een rijbewijs. Sunstein was adviseur van Obama, en diens regering zette vol in op het ‘nudgen’ – wat achteraf ook geïnterpreteerd kan worden als teken van het paternalisme dat later een groot deel van de kiezers zou vervreemden van het establishment.

Alwetend algoritme

Thaler en Sunstein hadden het over een nog grotendeels analoge wereld, maar het ge-nudge heeft zich de afgelopen tien jaar van de supermarkt naar Silicon Valley verplaatst. Silicon Valley nudget via de iPhone tot foto’s maken, foto’s delen, foto’s van anderen kijken, achterklap lezen, stappen tellen et cetera om niets aan het toeval over te laten. De ratio lijkt nu te zijn: maatschappelijk succes, een zeer gezond leven (desnoods kort, als ouderdom het alternatief is), en zoveel mogelijk tijd online besteden.

Al die activiteit wordt opgeslagen, geanalyseerd, en weer ingezet om nog meer interactie te genereren. Het algoritme weet inmiddels beter dan de gebruiker wat die wil. Dat doet ook iets met de polen rationaliteit en irrationaliteit, want zelfs de meest irrationele neigingen van de mens worden gemonitord en gemodelleerd tot een patroon. Het irrationele wordt al net zo voorspelbaar als het rationele – het onderscheid is dus in Silicon Valley niet meer van belang. En ook al zijn de menselijke intellectuele vermogens nu vermoedelijk dezelfde als in de tijd van Kant, het ideaal van een onafhankelijk, individueel verstand komt toch in een ander licht te staan met zoveel nudging, zoveel data en algoritmen die beter weten wat ‘goed’ voor je is, of, zoals Amazon pretendeert te kunnen, een boek op de bus doen voordat je zelf hebt bedacht dat je het nodig hebt.

Metafysisch dieet

In een bijzin merkt Smith op dat er in de laatste decennia geen ruimte was om sentimenten te cultiveren. Het effect is dat de slinger van het rationalisme (zoals dat van de homo economicus) nu doorzwaait naar een mateloze beleving van het kleinste gevoel. Dit had Smith wat systematischer mogen uitwerken. Over het liberalisme is vaak herhaald dat het een te bloedeloze ideologie is om mensen aan zich te kunnen binden; en inderdaad zou het westerse idee van ratio als winstmaximalisatie ook wel eens te banaal kunnen zijn om je ermee te kunnen identificeren, al helemaal in een financiële situatie waarin ‘winst’ sowieso niet aan de orde is.

Lees ook: Hoe alles een kwestie van perspectief werd

Zoals Peter Sloterdijk eerder schreef, is het onduidelijk waarom alleen de westerse mens aan een ‘metafysisch dieet’ moest geloven en afstand moest doen van religie en politieke narratieven, ‘terwijl de rest van de wereld zich onverstoorbaar tegoed doet aan de rijk voorziene tafels van de illusie’. Inmiddels heeft de westerse mens wel afscheid genomen van dat ‘dieet’, om zich tegoed te doen aan een eclectische selectie illusies van alternatieve wetenschap, evangelisme en demagogie. Alleen de kunst lijkt nog gebonden aan een strikt realisme.

In het licht van de klimaatcrisis is de vraag naar wat ‘rationeel’ is van hernieuwd belang. Het kan allang niet meer ‘winstmaximalisatie’ betekenen, ook niet als je de som uitstrekt naar de welvaart van kinderen of kleinkinderen. Bruno Latour zei hierover dat ‘rationaliteit’ niet langer een geschikte term is om te bepalen wat het juiste is om te doen, omdat het de modernistische bijklank heeft van een berekenende oplossing. In plaats daarvan pleit Latour voor een kritische weging van het verband tussen wetenschap, religie, kunst en politiek, naar een nieuw antwoord op de vraag wat kennis is, en wie onze geleerden zijn, zoals Virginia Woolf schrijft, ‘behalve de afstammelingen van heksen en kluizenaars, die in grotten en bossen gehurkt zaten om kruidenmengsels te brouwen, spitsmuizen te ondervragen en de taal van de sterren te noteren’.

Correctie (13 maart 2020): In een eerdere versie stond irrationeel getal, dit is nu aangepast naar irrationaal getal.