OM: Nashvilleverklaring was niet strafbaar

Homoseksualiteit Het conservatief-christelijke manifest bracht vorig jaar veel maatschappelijke verontwaardiging teweeg. Binnen de lhbti-gemeenschap werden aangiften gedaan van discriminatie.
Kamerwoordvoerders nemen een petitie voor de Nashvilleverklaring in ontvangst.
Kamerwoordvoerders nemen een petitie voor de Nashvilleverklaring in ontvangst. Foto Remko de Waal / ANP

De uitlatingen in de omstreden Nashvilleverklaring, waarmee conservatieve christenen zich begin vorig jaar uitspraken tegen mensen „met een homoseksuele of transgenderidentiteit”, genieten volgens het Openbaar Ministerie geen strafbaarheid voor discriminatie. Dat meldt Justitie donderdag na een onderzoek, dat het januari vorig jaar instelde.

De verklaring spreekt zich uit tegen seks vóór het huwelijk, homoseksualiteit en transgenders, die volgens de verklaring ervoor kunnen kiezen om hun „misvorming” achter zich te laten. In 2019 werd de verklaring, die is vernoemd naar de Amerikaanse stad waar hij werd opgesteld, vertaald gepubliceerd door het Reformatorisch Dagblad en door onder meer SGP-voorman Kees van der Staaij ondertekend. Het conservatieve manifest zorgde voor maatschappelijke verontwaardiging. Aangiften en „veel meldingen bij antidiscriminatiebureaus” tegen zowel de inhoud van de verklaring als tegen de opstellers, ondertekenaars en ondersteuners, volgden - aldus het OM.

Direct verband met geloofsovertuiging

Justitie besloot daarop de strafbaarheid van de uitlatingen in het manifest te onderzoeken. Nu concludeert het dat geen sprake is van strafbaarheid. Doorslaggevend voor het OM was „dat de uitlatingen in de Nashvilleverklaring in direct verband staan met de geloofsovertuiging van degenen die betrokken waren en voor hen van betekenis zijn in het maatschappelijk debat dat zij willen voeren”. Het gaat volgens Justitie om „zowel de vrijheid van godsdienst als de vrijheid van meningsuiting”. In een democratische rechtsstaat is „het van wezenlijk belang” dat mensen veel ruimte hebben om zich te uiten, stelt het OM. Ook als die uitingen anderen „kwetsen of verontrusten”.

Verder benadrukt justitie dat het zich realiseert dat de verklaring sommige mensen zeer heeft geraakt. Maar „de mate waarin uitingen ophef en onrust veroorzaken dan wel onwenselijk of kwetsend zijn” is volgens Justitie „niet beslissend voor de juridische toets”.