Reportage

In het spoor van de getroebleerde schilder Mancini

Schilder Een duik in het leven van Antonio Mancini, in ‘zijn’ stad Rome.

Een door Mancini beschilderd bord, te zien in De Mesdag Collectie.
Een door Mancini beschilderd bord, te zien in De Mesdag Collectie. Foto De Mesdag Collectie

Het is druk en lawaaierig in La Campana, het oudste restaurant van Rome. De klanten eten met mes en vork en praten met hun handen, zoals bijna alle Italianen doen. La Campana mocht in zijn vijfhonderdjarige bestaan vele beroemdheden tot de clientèle rekenen, onder wie Caravaggio, Goethe, Picasso, Maria Callas, Pasolini, Fellini en, recent nog, Emmanuel Macron. Dit zou ook zomaar een van de restaurants kunnen zijn waar de Italiaanse schilder Antonio Mancini (1852-1930) met zijn vingers borden beschilderde in ruil voor een warme maaltijd. Vrijwel alle andere restaurants uit zijn tijd bestaan niet meer, maar La Campana is er nog altijd.

Vrijdag werd in De Mesdag Collectie in Den Haag de tentoonstelling Mancini. Eigenzinnig & Extravagant geopend. Om meer te weten te komen over de Italiaanse schilder ben ik naar Rome getogen, de stad waar hij het grootste deel van zijn leven woonde. In de Galleria d’Arte Moderna di Roma Capitale vertelt curator en kunsthistorica Cinzia Virno me over zijn leven voordat hij zich in Rome vestigde.

Antonio Mancini werd aan de rand van de Italiaanse hoofdstad in een arme familie geboren. Zijn ouders onderkenden Antonio’s talenten al op jonge leeftijd en stuurden hem naar de Accademia di Belle Arti in Napels, een van de oudste kunstacademies in Italië. Daar begon hij straatkinderen („scugnizzi”), jonge circusartiesten en straatmuzikanten te schilderen, in de stijl van het 19de-eeuwse naturalisme en realisme. In 1872 oogstte Mancini op de Parijse salon, destijds een van de grootste kunsttentoonstellingen ter wereld, veel lof met twee ingestuurde werken, maar desalniettemin bleef het grote succes uit en kwam hij altijd geld tekort. „Vandaar dat hij in restaurants na de maaltijd weleens betaalde met een bord dat hij ter plekke beschilderde”, vertelt Virno.

Minderwaardigheidscomplex

In 1876 verhuisde Mancini naar Parijs om daar zijn geluk te beproeven, maar daar kon hij niet aarden. Virno vermoedt dat zijn persoonlijkheid hem in de weg zat. Mancini was verlegen, timide en had door zijn arme afkomst een minderwaardigheidscomplex. Hij was soms een getroebleerde ziel, maar tijdgenoten noemden hem een artistiek genie en hij kreeg langzamerhand meer opdrachten. In 1878 vertrok hij voor enige tijd naar Engeland en Ierland om daar in opdracht portretten te schilderen, maar hij keerde depressief terug naar Italië en maakte in 1883 van zijn geboortestad Rome definitief zijn thuis.

Hij werkte er in verschillende ateliers, omdat hij altijd op zoek was naar een betere plek, met meer ruimte. In het begin van de 20ste eeuw beleefde hij in zijn werkplaats in Via Margutta zijn productiefste periode. Via Margutta ligt parallel aan de winkelstraten Via del Corso en Via del Babuino in het centrum, tussen de Spaanse Trappen en Piazza del Popolo. Het was destijds een echte kunstenaarsbuurt, zo woonde Pablo Picasso er in 1917 bijvoorbeeld een paar maanden.

Mancini’s atelier bestaat helaas niet meer, maar nog altijd zitten er galerietjes en ateliers in de straat. Het is een leuke buurt, met even verderop bij Piazza di Spagna het oudste café van Rome, Caffè Greco, waar heel wat schrijvers en schilders hun koffie hebben gedronken.

Het Pantheon in Rome.

Foto Alexandr Spatari/Getty Images

In Via Margutta voelde Mancini zich goed, zegt Luisa Longhi. Zij is een achternicht van Mancini en heeft haar leven in dienst heeft gesteld van de nagedachtenis aan haar oudoom. Ze was met enkele andere familieleden opdrachtgever voor de Mancini-studie van Virno en gaat veilingen af om werken van hem terug te krijgen in de familie. „Wist je dat hij in de Basilica dei Santi Bonifacio e Alessio is bijgezet, vlak bij zijn laatste huis?”, vraagt ze. Nee, zeg ik haar, waarna ze Virno en mij uitnodigt voor een drankje in de bar van een hotel verderop, waar haar chauffeur ons zal ophalen om naar het laatste woonadres en de laatste rustplaats van Mancini te gaan.

Lees ook: Op bezoek in het oude ‘chateau’ van schilder Rosa Bonheur.

Dat hotel verderop blijkt Hotel Eden te zijn, op de heuvel achter de Spaanse Trappen, waar Julius Caesar en keizer Augustus hun villa’s hadden. Bij aankomst waan ik me in La grande bellezza, die prachtige film van Paolo Sorrentino uit 2013 over de decadente beau monde van Rome, tevens een eerbetoon aan de Eeuwige Stad. Portiers in livrei ontvangen ons met alle égards; Mancini’s achternicht lijkt hier duidelijk vaker te gast te zijn. De bar, op de bovenste verdieping, biedt een prachtig uitzicht over de stad. Cinzia Virno en Luisa Longhi praten er honderduit over Mancini. Vooral familiezaken, iets over financiële onenigheid rond zijn nalatenschap. Het fijne krijg ik er niet van mee, daarvoor spreken ze veel te snel.

Kort bezoek

In het trappenhuis van het hotel hangen foto’s van illustere gasten die hier verbleven, van Sigmund Freud, Ingrid Bergman tot Hollywoodsterren als Meryl Streep, Johnny Depp en Robert de Niro. Federico Fellini liet zich vaak interviewen op het dakterras van het hotel, dat in 2017 nog uitgeroepen werd tot beste van Europa.

Antonio Mancini zou zich er in tegenstelling tot zijn achternicht doodongelukkig hebben gevoeld, met dat hardnekkige minderwaardigheidscomplex van hem. Als we in de auto zitten en Longhi’s chauffeur ons door de straten voert, vertelt Virno dat Mancini op uitnodiging van schilder, kunstverzamelaar en bewonderaar Hendrik Willem Mesdag één keer in Nederland was geweest. Het werd een kort bezoek. Toen Mancini in Den Haag aankwam en het herenhuis van Mesdag zag, besloot hij direct rechtsomkeert te maken en naar Italië terug te keren; hij vond het huis en de omgeving ver boven zijn stand. Mesdag heeft hem dus nooit ontmoet.

Terwijl Luisa Longhi achteloos historische plekken aanwijst waar we aan voorbij scheuren („dit plein heeft nog de contouren van de badhuizen van keizer Diocletianus”, „die begraafplaats is meer dan tweeduizend jaar oud, premier Andreotti ligt er tussen de oude Romeinen”), gaat Virno in op Mancini’s laatste levensjaren. De kinderen van zijn broer Giovanni zorgden ervoor dat Mancini’s werk in 1920 op de Biënnale van Venetië geëxposeerd kon worden. „Daar werden al zijn tentoongestelde doeken voor flinke bedragen verkocht, en plotseling was Mancini een rijk man.”

De schilder liet een grote villa bouwen in Via delle Terme Deciane op de Aventijn, de zuidelijkste van de zeven heuvels van Rome, en ging er met een deel van zijn familie wonen. Het blijkt een rustige straat te zijn in een lommerrijke buurt met hoge, oude naaldbomen en grote villa’s achter muren en hekken. Mancini’s vroegere villa mag er ook zijn. Vier verdiepingenen een forse tuin aan de achterkant. Mancini was in zijn laatste levensjaren een gevierd én vermogend kunstenaar. In 1929 mocht hij zelfs lid worden van de net opgerichte prestigieuze Accademia d’Italia, die na de val van Mussolini in 1943 overigens weer werd opgeheven.

Toen Mancini in 1930 overleed, kreeg hij van de regering-Mussolini een staatsbegrafenis in de Basilica dei Santi Bonifacio e Alessio, op de linkeroever van de Tiber en op een steenworp afstand van Circus Maximus. „Misschien is de associatie met de Duce wel de reden waarom hij na de Tweede Wereldoorlog een beetje in vergetelheid raakte”, oppert Virno als we bij het graf van de kunstenaar komen, rechts in de kerk. Strak vormgegeven, veel marmer, een neoklassiek accent – de stijl van de Italiaanse jaren twintig. We blijven er nog even zwijgend bij stilstaan, dan lopen we terug naar de auto.

In het nieuwe millennium is Mancini min of meer herontdekt, vooral nadat het Philadelphia Museum of Art in 2007/2008 een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk organiseerde. En nu is Mancini dus te zien in De Mesdag Collectie. „Hij zou het een grote eer hebben gevonden”, zegt zijn achternicht Luisa.