Opinie

De waarheid

Ellen Deckwitz

Toen bekend werd dat de koning zijn excuses had gemaakt, stroomde mijn telefoon meteen vol met zo veel appjes dat het beeldscherm wel een taalwaterval leek. Een deel van mijn familie is Indisch en iedereen had een mening. Sommigen waren blij met de excuses, omdat die op zijn plaats waren na het geweld van de politionele acties. Een ander deel was woedend omdat hierbij Nederland als enige dader werd gezien. Een aangetrouwde oudtante is Indo. Tijdens de revolutie is een deel van haar familie afgeslacht – door Indonesische vrijheidsstrijders. Ze belde me woedend op.

„Waar blijven de excuses van de Indonesische regering voor dat bloedbad? Die doet nog steeds alsof de agressoren alleen maar uit Nederlanders bestonden”, brieste ze.

Zelf moest ik, ondanks alles, een kleine traan wegpinken toen ik de excuses vernam. Omdat ik ze niet had verwacht. Omdat ze een groot, maar tegelijkertijd leeg gebaar zijn. Hoeveel sorry’s er ook komen, de doden en getraumatiseerden zelf hebben er weinig aan. Hun levens zijn al verwoest. Ik dacht aan mijn overgrootvader, die tijdens de Bersiap dingen meemaakte waardoor hij de rest van zijn leven eenzaam in een flatje doorbracht, de ene na de andere fles jenever achteroverslaand.

Omdat ik zelf even niet meer wist wat te vinden, wat te voelen, zette ik mijn mobiel uit. Ik moest denken aan mijn oudtante Dee, nog een tiener tijdens die revolutiestrijd, die haar beste vriendin terugvond, de darmen uit het lijf gerukt. Aan mijn grootmoeder, die op de vlucht voor de revolutionairen zich probeerde te verstoppen op een binnenplaats en daar op een berg naakte, verminkte lijven stuitte, rottend in de tropenhitte, zo verweerd dat ze niet meer kon zien of het Hollandse mensen waren geweest, Indische of Indonesische.

Mijn grootmoeder vertelde vroeger vaak een sprookje dat ze in Indië had geleerd, en dat sprookje zat na de excuses als een soort liedje in mijn hoofd. Het gaat als volgt: eens was er een man die op zijn lichaam wees en zei dat dat de waarheid was. Zijn bazen zeiden dat alleen God de waarheid kon zijn, een lijf was slechts een lijf. Ze sloegen hem in het gezicht. De man hield echter vol dat zijn lijf de waarheid was. Ze haalden een zweep om hun gelijk in zijn rug te etsen. De man viel flauw en kwam weer bij. Toen de zweep brak, hoorden ze hem nog steeds zacht zeggen dat zijn lichaam de waarheid was. Ze hakten zijn vingers af, zijn handen, zijn armen, zijn tenen, voeten, zijn benen. Ze hakten door tot de waarheid uiteindelijk niet meer te splijten viel, en zo wegstroomde door de vuile straten.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.