De ov-kaart aanpakken doen de conducteurs niet meer

Covid-19 beïnvloedt het dagelijks leven. Hoe gaan treinconducteurs er mee om?

Conducteurs mogen zelf bepalen wie ze wel en niet controleren
Conducteurs mogen zelf bepalen wie ze wel en niet controleren Foto NRC

„Meneer, mijn kaart is net kapot gegaan.” De trein naar Almere staat op punt van vertrekken en een scholier wappert met z’n gebroken ov-chip op het perron.

„Ga maar zitten”, knikt hoofdconducteur Albert Huiting (57) op Amsterdam CS.

Reizigers doen van alles met die kaart, weet Huiting. Ze steken ’m ook geregeld in hun mond. Stapt hij een coupé binnen en ziet-ie achterin iemand rommelend in de tassen verschrikt opkijken, ov-kaart tussen de lippen. „Mensen hebben het zelf niet eens in de gaten.”

Van zulke reizigers pakt hij de kaart niet aan, maar dat deed hij voor de uitbraak van Covid-19 ook al niet. „We mogen zelf bepalen wie we wel en niet controleren.”

Sinds donderdag hoeven reizigers hun kaart niet meer af te geven, maar houden ze ’m zelf tegen het scanapparaat van de conducteur. Huiting kent ook collega’s die wegens coronavrees de reiziger nu helemaal niet meer controleren. Die doen alleen nog ‘servicerondjes’: door de trein lopen, mensen groeten. Maar zelf maakt hij zich niet druk. „Ik ga ervan uit dat mensen die echt ziek zijn niet in de trein gaan zitten.”

Utrecht Centraal station Foto NRC

Amper vragen

„Schiphol? Schiphol?” Onophoudelijk knikt de 29-jarige conducteur Alvaro - „liever geen achternaam” – naar toeristen met rolkoffers hollend naar de trein. Al de hele dag zit hij op de Intercity Direct tussen Amsterdam en Breda. Vragen over het coronavirus heeft hij amper gehad. Wel ziet Alvaro iets meer mondkapjes, „ook bij Nederlanders”. Maar de coupés zitten nog even vol als anders.

Alvaro is nu „extra voorzichtig” en schudt geen handen meer. Nog best lastig, want de reiziger steekt hem geregeld uit - zoals wanneer Alvaro meedenkt over een oplossing als per ongeluk niet is ingecheckt. De afweging om wel of niet te controleren maakt hij „op gevoel”. En ook hij doet dezer dagen vaker „een servicerondje”.

„Servicerondjes…” De 59-jarige Berend Lettinga trekt er een vies gezicht bij. „Ik ben er niet zo van.” Mensen wíllen gecontroleerd worden, is zijn overtuiging. „Als je parkeergeld betaalt, hoop je toch ook dat de parkeerwachter langskomt.”

Lettinga, die op het station overstapt op een trein richting Hoofddorp, is al 28 jaar conducteur. „Het is een gouden baan, schrijf dat ook maar op”. Het spoor, zegt hij, dat is „vrijheid”, en alles is „tot in de puntjes geregeld”. En wat Lettinga opvalt: er zijn onder collega’s nog weinig zieken. „Bij een normale griepgolf krijg je voortdurend sms-berichtjes of je extra kunt werken, maar dat zie ik nu nog weinig.”

In Noord-Brabant, waar collega’s niet meer hoeven te controleren, is hij vandaag niet geweest. Maar ook daar zou hij de kaartjes wel controleren. „Andere collega’s gaan er helemaal in op hoor, in dat corona. Ik denk: als het je tijd is, is het je tijd.”

Foto NRC