Interview

De godfather van de Nederlandse tv-tunes

Stephen Emmer, mediacomponist

Ooit is berekend dat elke zeven minuten ergens op radio of tv muziek van Stephen Emmer te horen is. Zijn oeuvre werd deze week bekroond.

Stephen Emmer: „Het werkt beter om te vragen wat ze niet willen.”
Stephen Emmer: „Het werkt beter om te vragen wat ze niet willen.” Foto Andreas Terlaak

De bliepjes aan het begin van het NOS Journaal. Het iconische saxofoon-riedeltje dat RTL Boulevard inleidt. De funky opmaat naar RTL Late Night. Het is een kleine greep uit de meer dan duizend tunes die Stephen Emmer de afgelopen vijfendertig jaar voor radio en televisie heeft gemaakt. In Hilversum wordt hij de ‘seven minute man’ genoemd, omdat ooit is berekend dat elke zeven minuten één van zijn muziekjes te horen is op radio of tv. Voor dat indrukwekkende oeuvre kreeg Emmer deze week de Buma Oeuvre Award Multimedia, een belangrijke prijs voor mediacomponisten.

Wat was uw eerste begintune?

„Die maakte ik voor Kwartslag, een programma van het Humanistisch Verbond uit 1984. Ik kwam uit de punk en new wave-hoek, maar de vormgever van het programma vond mijn werk beeldend en cinematisch. Dus mocht ik langskomen. Toen ik de tune presenteerde zei iedereen: ‘goh, even wennen’. Dat zou ik nog vaak horen. Men vindt de oude tune altijd het best, of had toch net iets anders verwacht.

„Door die eerste opdracht leerde ik dat tv- en radiotunes maken een vorm van diplomatie is. Het heeft vaak geen zin om de koppige creatieveling uit te hangen. Ik weet nog dat er discussie was over de marimba, die een mevrouw „te Japans” vond. Ik twijfelde of ik daar tegen in moest gaan, maar koos ervoor om te zeggen: luistert u nog een keer.”

Bent u het koppige of het meebuigende type?

„Hoe meer vlieguren, hoe koppiger. Ik merkte zo’n vijftien jaar geleden dat er steeds minder mocht in de opdrachtmuziek. Minder fantasierijke mensen, de marketeers en consultants, gingen zich ermee bemoeien. Ik verzette me daartegen, en werd toen geloof ik als koppig ervaren. Toen ben ik ook meer vrije muziek gaan maken.”

Lees ook: Asjemenou! Wat zijn die reclames slecht

En even later zat u met Lou Reed in de studio.

„Klopt. Ik ging zo rond 2006 begeleidingsmuziek maken voor gesproken literatuur. Dat werd opgepikt door producer Tony Visconti, een van mijn helden. Die man heeft samengewerkt met David Bowie en Iggy Pop. Hij vond mijn muziek bijzonder, dus mocht ik naar zijn studio in New York komen om een album op te nemen. Toen we een stem zochten voor een nummer zei hij dat hij wel even een vriend zou bellen. Dat bleek Lou Reed te zijn. Die vond het wel leuk om een ‘European arty farty project’ te doen.”

U bent de zoon van de beroemde nieuwslezer Fred Emmer. Heeft die familieband deuren geopend in Hilversum?

„Nee, ik vond als new waver uit Amsterdam het Gooise matras een schrikbeeld. Daarom heb ik mijn tweede opdracht onder pseudoniem gedaan. Het was een test om te kijken of ik het zonder de achternaam van mijn vader zou redden. De vreugde was natuurlijk groot toen ze het mooi vonden.”

Waar haalt u uw ideeën vandaan?

„Overal en nergens. Ik weet nog dat mijn toenmalige schoonvader een heel exotisch hondenfluitje liet horen toen ik eens met hem door het bos liep. Zo van fiet-fiet-fiet-fi-fiet-fiet-fi-fiet-fiet. Ik vond het een interessant motiefje, dus dat werd de tune voor NOS Laat, de voorloper van Nieuwsuur.

Eén van uw meest iconische tunes is de saxofoonriedel van RTL Boulevard. Hoe kwam die tot stand?

„Ik stelde me een paparazzi-achtige sfeer voor bij het programma en dat associeerde ik met muziek die je kan horen in een Las Vegas-achtige stripteasetent. Zo’n sleazige saxofoon. Maar het programma is geen striptease. Het is een andere vorm van exposé, een high energy exposé. Dus kwam ik op het idee zo’n zwoele saxofoon te gebruiken, maar dan wel twee keer zo snel als in een nachtclub wordt gespeeld.”

Gaat het ook weleens mis?

„Zeker. De Studio Sport-tune! Ik werd begin jaren negentig door de NOS uitgenodigd om de muzikale huisstijl te verzorgen: dan ontwerp je alle tunes en geluiden van een omroep en haar programma’s. De muziek van de NOS was toen een lappendeken van stijlen. Ik vond dat het meer op elkaar aan moesten sluiten.

„Dat betekende ook dat ik de begintune van Studio Sport onder handen moest nemen. Juist vanwege de iconische status besloot ik de oude tune te behouden, maar hem wel een klankkleur mee te geven die aansloot bij de andere programma’s. Tonny Eyk, de componist van het origineel, was woedend over mijn bewerking. Hij zocht de media op en zei dat er cultureel erfgoed werd vermoord. Toen er petities kwamen van kijkers zei de omroep: dit gaat ons imagoschade opleveren. Dus is de oude tune gauw weer in ere hersteld.”

Het lijkt me best lastig om vanuit een gesprek met programmamakers een tune te maken die past.

„Ik heb door de jaren heen gemerkt dat het veel beter werkt om te vragen wat ze niet willen. Absoluut niet met een house ritme. Absoluut niet treurig eindigen. Dan weet je wat er onderaan de streep overblijft.

„Maar het komt ook vaak genoeg voor dat programmamakers geen goed beeld hebben van hun eigen programma. Toen ik voor Tros Crime Time aan de slag ging vonden de makers dat ze ergens tussen NRC Handelsblad en de Haagse Post in zaten. Maar toen ik de beelden zag, dacht ik: dit is De Nieuwe Revu. Het was best op de sensatie gericht. Toen ze de tune hoorden, zeiden de makers aanvankelijk: maar dit is niet wie wij zijn! Toch hebben ze hem genomen. Toen werd mij duidelijk dat je met identiteitsmuziek je opdrachtgever een spiegel voor kunt houden. Je kunt een profiel neerzetten, waarvan de makers van tevoren niet doorhadden dat het hun profiel was. Gek, hoe dat met klank soms beter gaat dan met woorden.”