Recensie

Recensie Boeken

De Chinese ‘ander’, de banaan en de homo: Pete Wu durft zijn schaamte te laten zien

Discriminatie In zijn autobiografische relaas vertelt Wu met veel onderkoelde humor hoe het is om als Chinees-Nederlandse homo op te groeien tussen twee werelden.

Een Chineens restaurant in Limburg.
Een Chineens restaurant in Limburg. Foto Flip Franssen

Pete Wu groeide op in een kamer zonder gordijnen. Vroeg opstaan en keihard werken was de mentaliteit van zijn Chinese immigrantenouders, die in Tilburg snackbar De Vriendschap runnen. Als kind hielp Wu mee in de zaak, waar de familie ‘vloeiend en in stilte [samenwerkte], als een machine die maar doorging – een perpetuum mobile.’

Maar waar zijn ouders in hun eigen microkosmos leven, groeit Wu (1985) op in de Nederlandse samenleving. Een eenzame jeugd. Voor zijn klasgenoten is hij de Chinese ‘ander’, voor zijn ouders is hij een ‘banaan’ (‘geel’ van buiten, wit van binnen) en dan komt hij er ook nog eens achter dat hij homo is.

De bananengeneratie gaat over het opgroeien tussen twee werelden en je een leven lang verhouden tot de ander, of je het wilt of niet. Wat betekent het om Chinees-Nederlands te zijn? Autobiografische verhalen vervlecht Wu, die als journalist voor onder meer de Volkskrant schrijft, met de verhalen van tientallen andere geïnterviewde ‘bananen’. Net als hij groeiden ze op tussen de wok- of frituurpannen met ouders die non-stop werkten en – vanuit de beste bedoelingen – weinig affectie toonden. Dit boek geeft een bijzondere inkijk in deze gewoonlijk vrij gesloten wereld.

Allemaal ervaren deze kinderen een torenhoge druk van hun ouders, om een succesvolle carrière op te bouwen en te trouwen met een geschikte (lees: Chinese) partner. Maar waar bij de eerste generatie het leven draait om werk, assimileren hun kinderen en proberen te ontsnappen aan dit soms verstikkende milieu.

Maar hoe assimileer je in een samenleving die je constant confronteert met je anders-zijn? Het hele leven, schrijft Wu, hebben mensen in het ‘tolerante’ Nederland een bepaald beeld van hem al voordat hij zijn mond opentrekt. Pijnlijk zijn de talloze voorbeelden van discriminatie en racisme die de geïnterviewden geven. Van een Chinees-Nederlandse spreker die de lift uit wordt gezet op weg naar een belangrijk evenement tot onverbloemd racisme op homodatingapps, waar Aziatische mannen als vrouwelijk worden gezien en voor een deel van de gemeenschap onderaan staan door de hypermasculiene norm.

Naast onder- en misrepresentatie in de media, schrijft Wu, is er ook zoveel discriminatie omdat het idee heerst dat Chinezen als ‘modelminderheid’ niet zoveel te klagen hebben. En de generatie van zijn ouders dacht vooral: niet opvallen, hard doorwerken, racistische grappen van je dronken restaurantgasten negeren, dan kom je verder. Maar Wu’s generatie is mondiger en pikt dit niet langer. Dat zo’n boek nodig is, laat ook het oplaaien van anti-Chinees racisme rondom het coronavirus zien.

De Amerikaanse beatdichter Allen Ginsberg zei ooit: schrijf daarover waar je je het meeste voor schaamt, dat levert het mooiste, en het meest universele werk op. De bananengeneratie roept dat standpunt in herinnering. Wu durft zijn schaamte en het ongemak over zijn identiteit en de band met zijn ouders te laten zien – zoals het ontroerende appje in gebrekkig Nederlands dat hij na zijn coming-out kreeg van zijn moeder. (‘Ik weet je heeft moeilijke tijd geweest. Nu mama ook hele moeilijke.’) Het boek leest helend, als een serie therapiesessies.

De persoonlijke hoofdstukken zorgen ervoor dat het boek meer is dan alleen een verzameling interviews. Als Wu de broeierige ontmoeting met een Israëlische jongen in zomers Antwerpen beschrijft, die praatte ‘alsof hij wel wist hoe het moest, leven’, komt zijn schrijftalent naar boven, in een kwetsbare en intieme scène.

Ook schrijft Wu met veel onderkoelde humor. Na een onenightstand: ‘De volgende ochtend was de jongen voor 99 procent uit mijn leven; hij bekijkt nu nog af en toe mijn Instagram-stories.’ Of hoe hij de keer dat hij na zijn coming-out met zijn moeder door China reist, en er ‘toevallig’ een vrijgezelle jonge vrouw aanhaakt. Is zij niet iets voor hem?

Ontroerend beschrijft Wu de ambivalente band met zijn ouders, die voor elk immigrantenkind herkenbaar is. Uiteindelijk ziet hij in dat er wel degelijk liefde was, maar dat die tot uitdrukking kwam in de zelfopoffering van zijn ouders, die alles deden om hem een betere toekomst te geven. Slechte communicatie, weinig warmte: dat is de collateral damage.

Als ‘de ander’ haal je zelfvertrouwen niet alleen uit jezelf, maar ook uit je omgeving, schrijft Wu terecht. En als dat die niet voorhanden is, zoals voor een Chinese Nederlander? Dan schrijf je daar zelf een geslaagd boek over.