Opinie

Alle tijd voor Rembrandt

Column Amsterdam

Auke Kok

Het is rustig in de Jodenbreestraat – het is rustig in de stad. Of het nu door het coronavirus komt of niet: het parkeervak op de stoep voor het Rembrandthuis biedt volop ruimte. Met een ruime zwaai klap ik mijn fietsstandaard uit en loop de hal van het huis in waar onze grote schilder tussen 1639 en 1658 woonde. De zwarte band voor de kassa doet potsierlijk aan; er is geen rij om te regisseren. Ik ben de enige bezoeker, bij wijze van spreken. Twee Amerikaanse vrouwen laten de man achter de balie weten het amazing te vinden hier te mogen zijn; in hun toon herken ik de vreugde over het ontbreken van geduw en geschuifel.

In tijden van corona is het goed toeven in onze musea.

Steun zoekend aan de ijzeren leuning met mijn mouw, want toch wel behept met smetvrees, neem ik de wenteltrap naar boven. Vrijwel alleen dwaal ik door de kamers waar Rembrandt at, sliep, etste, dagdroomde – maar ik kom voor de pas geopende expositie bovenin; voor de ‘swarten’.

In hun toon herken ik de vreugde over het ontbreken van geduw en geschuifel

Juist hier in de Jodenbreestraat en omgeving groeide tijdens Rembrandts aanwezigheid het aantal Afrikanen. Er moet zelfs sprake zijn geweest van iets wat op een klein zwart gemeenschapje leek, in een buurt met multiculturele trekken als manifestatie van het razendsnel groeiende Amsterdam. De schilder, nieuwsgierig en humanistisch, bestudeerde en vereeuwigde sommigen van deze ‘moren’ niet als slaven, maar gewoon als donkere mensen. Naamloos en meestal in een bijrol, maar toch: Rembrandt deed het meer dan welke Hollandse kunstenaar ook.

Zo loop ik in alle rust door de tentoonstelling Hier. Zwart in Rembrandts tijd, het parket kraakt onder mijn voeten, hoegenaamd zonder concurrentie van andere geluiden. Het intensiveert wat ik zie, voor iedere afbeelding neem ik de tijd en zo onderga ik de vanzelfsprekendheid waarmee het genie de nieuwe bewoners gestalte gaf. In bijbelse taferelen maar ook als studieobject. Bruine huid, andere vormen: interessant, moet hij hebben gedacht – op basis van wat hij dagelijks hier aan de rand van de toenmalige stad waarnam.

De ‘swarten’ en ‘swartinnen’ vereeuwigde Van Rijn niet als onderdanige of cartoonachtige wezens, zoals dat na de opmars van de slavernij gewoon zou worden, maar als mensen van hiernaast. Zie die ontspannen jongemannen op zijn beroemde Twee negers dat tegenwoordig Twee Afrikaanse mannen heet. Zeer vermoedelijk simpelweg twee buurtgenoten.

Wie weet vroeg Rembrandt de broers, of vrienden, binnen en schilderde hij ze in dezelfde stilte als waarin ik dit sta te fantaseren. Terwijl niemand me opjaagt.

Voortaan zullen er nóg meer beelden opdoemen wanneer ik hier door de buurt fiets; niet alleen beelden van de vele Joodse textielwinkels die er eind jaren zestig nog zaten, maar ook van de zwarte bedienden en zeelieden die er rondliepen tussen de Aziaten, Scandinaviërs en Portugese handelaren. En natuurlijk beelden van de schilder in zijn fraaie rijkeluishuis met rode luiken, die zijn ogen uitkeek. Na de tentoonstelling zeg ik: gelukkig maar.

Auke Kok is schrijver en journalist.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.