De opera Ritratto van Willem Jeths

Foto Ruth Walz

Interview

Willem Jeths: ‘Voor mij is componeren een mystiek pad’

Opera Forward Festival Componist Willem Jeths schreef een opera over de meest buitenissige vrouw van de twintigste eeuw. In ‘Ritratto’ wekt hij markiezin Luisa Casati tot leven. „Haar verlangen naar een eigen besloten paradijstuin herken ik wel.”

Vijf jaar geleden zwierf componist Willem Jeths door het Venetiaanse Palazzo Fortuny, waar verzadigde schemertinten en lange schaduwen hem herinnerden aan de sfeer die hij vaak probeert op te roepen in zijn eigen muziek. De mythe van een buitenissig bestaan vulde de kamers hier: het voorbije leven van markiezin Luisa Casati. Ze staarde hem met grote ogen aan vanaf de talloze beeltenissen gemaakt door grote kunstenaars uit het begin van de vorige eeuw. Een levend kunstwerk wilde de verlegen miljonairsdochter uit Milaan zijn. Ze omringde zich met luipaarden, droeg wurgslangen als halsketting, liet albino merels in primaire kleuren beschilderen. En ze droeg nooit geziene jurken, één ervan bestond uit kleine lampen die – wil de legende – wanneer ze aangingen zo’n schok door haar lichaam joegen dat ze een achterwaartse salto maakte.

Wie Luisa Casati van binnen was, daar gissen biografen nog altijd naar. Ze is fantasia e verità, verbeelding en waarheid, verkondigen de slotwoorden van Ritratto, de nieuwe opera waartoe Jeths zich liet inspireren door beelden en verhalen rond die raadselachtige vrouw. Het werk gaat morgen in première tijdens het Opera Forward Festival in Amsterdam.

Componist Willem Jeths Foto Andreas Terlaak

Iconische noten

Vandaag zit hij in de grote studio van De Nationale Opera & Ballet bij een repetitie. De grote vellen van de partituur ontvouwen zich voor hem. Amsterdam Sinfonietta opent het vijfde bedrijf met een donker akkoord dat klinkt als een echo uit een andere wereld. „Het is een citaat”, zegt Jeths. „Alban Berg tekende deze paar noten op na een bezoek aan Zandvoort, begin twintigste eeuw. Gedurende een regenachtige middag wandelde hij daar langs het strand. Plots brak de zon door de donkergrijze wolken. En op dat moment hoorde Berg een akkoord dat hem in zijn ziel trof. ‘Ik heb God in de ogen gekeken’, zei hij hier later over.”

Jeths houdt van zulke verwijzingen. Zelf spreekt hij liever over archetypen: in het onderbewustzijn verankerde oersymbolen uit de muziekgeschiedenis die ons een meteen herkenbaar pad naar een gevoel tonen. Ritratto telt er veel, zegt hij, meestal niet letterlijk maar vermomd. Hij gebruikt Maurice Ravels La Valse om – net als de Franse componist – het innerlijke rottingsproces van een decadente samenleving te schetsen. Ook de Strauss-opera Salome, Bachs cantate Mein Herze schwimmt in Blut en Beethovens laatste pianosonate duiken op in het stuk. „Iconische noten besparen veel uitleg”, gelooft Jeths. „Iedereen weet of voelt onmiddellijk waar de muziek over gaat.”

De opera Ritratto van Willem Jeths Foto Florian Joahn

In Ritratto brengen Jeths en tekstdichter Frank Siera het leven van Casati terug tot één enkel feest aan de vooravond van de Italiaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog. In haar Venetiaanse palazzo verzamelen zich alle kunstenaars voor wie de rijke markiezin mecenas en muze was. Het gezelschap heeft geen oog voor het gewelddadige vuur dat Europa verteert. „Ze zweven rond in de zeepbel van de kunst”, zegt Jeths, „totdat Casati’s voormalige minnares, de schilderes Romaine Brooks, iedereen wakker komt schudden. Veel mannen vertrekken, hongerig naar oorlogsroem. En het feest loopt leeg. Maar Casati weigert bij zinnen te komen. Op hoge toon eist ze dat Brooks haar beeltenis vereeuwigt in een portret dat alle vorige zal overtreffen. In haar obsessie om ‘een levend kunstwerk’ te zijn, grijpt Casati naar een mes. Het moet allemaal echter. Ze snijdt huid van lichaam, ze steekt haar ogen uit. Die laatste daad is beslissend. Door haar blindheid verdwijnt de uiterlijke schijn, waarin ze zich altijd wentelde: ze kan alleen nog naar binnen kijken.”

Een nachtelijke klarinet verklankt bij de repetitie haar inkeer. „My eyes swim in blood”, zingt de Britse sopraan Verity Wingate. Mijn ogen zwemmen in bloed, woorden waarachter zich de echo van Bach verschuilt. „Wanneer het draait om overgave, om het leven loslaten, is hij de componist bij wie we te rade gaan”, zegt Jeths.

Gesloten tuin

Op de piano in zijn werkkamer liggen zijn eerste en laatste werk gebroederlijk naast elkaar. Ruim veertig jaar scheiden Ritratto en de Blokfluit Sonate die hij op zijn vijftiende schreef. Hij bladert erdoorheen. „Ik wist nog van niks, maar ben gewoon gaan schrijven. Er zijn nog wat oudere krabbels, maar dit stuk was het eerste met een begin, een midden en een slot. In mijn hoofd spookte destijds Stravinsky’s Sacre du Printemps. Het lichamelijke van die muziek probeerde ik op te roepen.”

Hij glimlacht. „Een puber die een atonaal werk schrijft. Zie je het voor je? De meesten maken op die leeftijd iets romantisch toch, à la Chopin? Daar hield ik ook van, maar dit moest ware kunst zijn. Anders. Met mijn boezemvriend, op het Amersfoortse gymnasium, schiep ik een eigen biotoop. Luisa Casati deed hetzelfde, alleen veel buitensporiger. Maar ik herken het wel. We waren snobistische pubers, een vernislaag die later verdween.”

Na zijn middelbare school studeerde Jeths piano en schoolmuziek aan het Amsterdamse conservatorium, maar het componeren bleek onweerstaanbaar. „Zo’n zelfgebouwd klankuniversum biedt beschutting. In Ritratto zingt Casati’s minnaar, de dichter Gabriele d’Annunzio, een aria waarin hij haar vraagt: ‘Wees voor mij een gesloten tuin.’ Dat verlangen is mij niet vreemd. Het duurde even voor ik mijn homoseksualiteit ontdekte. Ik voelde me een buitenstaander, maar wist aanvankelijk niet waarom. In de muziek kwam ik thuis, al kent die wereld op zijn beurt weer eigen onzekerheden. ‘Wat als een stuk nou geen vorm heeft?’, vroeg ik als nieuweling aan componist Daan Manneke. ‘De noten die je achter elkaar zet, zijn al vorm’, zei hij geruststellend. Hij duwde me over de drempel, waar – kwam ik pas later te weten – hij vroeger zelf aarzelend voor gestaan had. ‘Je moet schrijven wat je mooi vindt’, vond hij. Dat was eenvoudiger gezegd dan gedaan, in een tijdperk waarin componeren vooral een kwestie was van intellect, modellen, wiskundige principes, en geboden en verboden. Een drieklank of een melodie was taboe.”

Jeths leerde het ambacht van twee uiteenlopende karakters. „Hans Kox droeg Italiaanse maatpakken, vlinderstrikken, behandelde leerlingen met de nodige egards en koesterde een voorliefde voor literatuur. Ik kreeg de indruk dat hij alles wist. Tristan Keuris daarentegen was aardser, hulde zich in spijkerbroek, rookte zware shag. De één ademde melodisch, de ander methodisch. Beiden keken met ironie naar modernisten. ‘Weet je’, grapten ze, ‘wanneer je zulke profeten van de nieuwe orde betrapt in een leslokaal, achter de vleugel, dan zitten ze altijd Schumann te spelen.’”

Na zijn afstuderen moest Jeths zijn eigen taal vinden. Hij zocht die eerst in klankkleur, vooral de donkere tinten. „Het mauve, een bruinig paars waaronder zich mysterieuze emoties en atmosferen verbergen. Ik wilde laten zien wat ik kon, wat ik wist. En dat kon alleen atonaal, want anders werd je niet serieus genomen. Een misverstand. Tegenwoordig componeer ik eenvoudiger lijnen. Vroeger geloofde ik dat mijn muziek gebaat was bij complexiteit, inmiddels is het besef doorgedrongen dat je in zo’n geval zelden krijgt wat je zoekt. Want musici moeten dan zo hard werken om alle noten te spelen, dat ze aan de emoties en de geest ervan niet meer toekomen.”

Magisch pad

En die geest is misschien wel het belangrijkste, ontdekte Jeths. „Componeren – het klinkt misschien zweverig – heeft toch iets heiligs. Ik werk intuïtief. Er ligt geen mal klaar waarin ik mijn noten giet. Het is een mystieke geestestoestand. Maar die komt uiteraard niet vanzelf. ‘Wie gaat wachten op inspiratie, is een stakker’, zei de schrijver Simon Vestdijk al. En dat had hij goed gezien. Mijn vakgenoot Jacob ter Veldhuis reikte me een mooie metafoor aan: een donkere tunnel met een lichtpunt in de verte. Een componist moet zich elke dag weer wagen in die duisternis, in die eenzaamheid. En hij moet het daar ook prettig vinden.”

Meestal begint Jeths met een ochtendwandeling. „Bedenken wat ik ga doen. Maar muziek ontstaat bij mij achter de vleugel, door de zintuigelijke aanraking met geluid. Kox daarentegen kon in een park op een bank alles in zijn hoofd al horen. Ik heb de klank als inspiratiebron nodig. En ik moet zien hoe noten golven over het papier. Niet alleen het oor, ook het oog ontdekt patronen en structuren. Componeren is sturen en bestuurd worden. Een opera als Ritratto ontwikkelt zich op den duur met een eigen logica. Die dicteert zich in zekere zin aan mij. In zo’n geval bevind ik me op een bijna magisch pad: iets of iemand wijst me de weg. Het ambachtelijke blijft, maar de uitkomst van die arbeid wordt pas boeiend wanneer zij dat ontstijgt. Hoe dat gebeurt? Het antwoord daarop kun je als componist – geloof ik – beter niet weten.”