Nuchter volkje

Ewoud Sanders

Woordhoek

Hoewel er ook hier al mensen aan het coronavirus zijn overleden, de economie keldert, Italië op slot zit en zelfs de première van de nieuwste Bondfilm (met de toepasselijke titel No Time to Die) is uitgesteld, lijken veel Nederlanders eerder een zekere trots dan angst te voelen. Namelijk trots op de nuchterheid waarmee we op deze uitbraak reageren. In de woorden van Rutte: „Wij zijn een nuchter volkje.”

Een tamelijk gangbare opvatting is dat die nuchterheid teruggaat op onze poldercultuur. Wie ploegt onder de zeespiegel moet het hoofd koel houden. En dat al sinds de Middeleeuwen.

Om te kijken of dit hout snijdt heb ik onderzocht wanneer de woorden nuchter en Hollander/Nederlander in onze taal naar elkaar toe zijn gekropen.

Het eerste wat opvalt is dat nuchterheid weinig sporen heeft nagelaten in onze spreekwoordenschat – bij uitstek de etalage van volkswijsheden. De grootste collectie historische spreekwoorden is in de negentiende eeuw samengesteld door de schoolmeester P.J. Harrebomée. In drie dikke delen staan er ruim veertigduizend. Bij het woord nuchter vind je slechts drie spreekwoorden, elders in dit chaotische werk nog een paar. Het gaat om zegswijzen als: wie dronken steelt, moet nuchteren hangen; wat de nuchtere denkt, dat spreekt de dronkaard; en: die kruik wil geen water houden, zei nuchtere Teunis, en hij goot eene kan bier in eenen sla-emmer.

Nuchter betekent hier dus ‘niet-dronken’. Historisch gezien was dat de tweede betekenis. Al eerder, vanaf het begin van de dertiende eeuw, gebruikte men nuchter voor ‘niets gegeten of gedronken hebbend’. Die betekenissen ontstonden waarschijnlijk in de kloostertaal en hadden betrekking op de eerste kerkdienst, heel vroeg in de ochtend, die op een nuchtere maag moest worden genoten.

Aan het begin van de zeventiende eeuw kreeg nuchter er nieuwe betekenissen bij, namelijk ‘kalm, ingetogen, realistisch’. En in ongunstiger zin: ‘zonder enige verbeeldingskracht, ontdaan van alle dichterlijkheid, zakelijk’ – allemaal ingrediënten van de Hollandse volksaard.

P.C. Hooft had het in 1630 over „de nuchtere stemmigheit in ’t historyschrijven vereischt”. En Jan Luyken dichtte in 1710 over „nucht’re zinnen” om „’t eeuwig Heil te winnen”. Vanaf het midden van de achttiende eeuw maakte nuchter verstand opgang, later versterkt tot nuchter, gezond verstand.

De woordcombinaties nuchtere Hollander en nuchtere Nederlander vond ik pas vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, zonder polders of dijken in de nabijheid. De vroegste vindplaats is bij mijn weten een reisverslag van de dominee-dichter J.J.L. ten Kate. In 1856, tijdens een reis door Italië, genoot hij van „den meerderen praal” in een kerkdienst van „onzen Roomsch-Katholijken Medechristenen”. „Het valt niet te ontkennen”, zo vervolgde hij, „dat vooral bij ons nuchtere Hollanders, het Protestantsche Bedehuis, uit een aesthetiesch oogpunt beschouwd, wel iets te wenschen overlaat.”

Bij dit onderzoekje stuitte ik op een woordcombinatie die onderstreept dat gezond verstand een relatief begrip is: nuchter speeksel. Eeuwenlang, zeker tot aan het begin van de twintigste eeuw, werd dat door kwakzalvers aanbevolen als geneesmiddel. Het ging om speeksel van iemand die nog niets had gegeten of gedronken. Het zou helpen tegen wratten. En, als het van een „gezonde, nuchtere jongeman” afkomstig was, ook tegen slangenbeten en beten van een dolle hond.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.