Pianopedagoog Jan Wijn

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Pianopedagoog Jan Wijn: ‘Geef me een leerling, en ik functioneer’

Pensioen Pianopedagoog Jan Wijn (86) gaat na vijftig jaar lesgeven aan het conservatorium in Amsterdam met pensioen. Leo van Doeselaar, Ronald Brautigam, Wibi Soerjadi, Thomas Beijer, Hannes Minnaar en de broers Jussen – Wijn gaf ze allemaal les.

Zijn muziekstudio ligt makkelijk toegankelijk naast de woonkamer. Grote ramen bieden uitzicht op de bomen in de tuin. „Toen ik hier net naartoe was verhuisd, had ik voortdurend een vakantiegevoel”, zegt hij.

Nog dagelijks zit Jan Wijn hier een paar uur achter zijn vleugel. „Je moet je vingers soepel houden. En ik word ook chagrijnig als ik niet speel.” Zijn privé-leerlingen ontvangt hij hier ook, en daarmee gaat hij voorlopig gewoon door. „Ik ben niet doof, hooguit wat stram en eerder moe. Maar ik geniet nog onverminderd van het lesgeven, aan oude en nieuwe leerlingen. Een van de broers Jussen die langskomt met een nieuw stuk, enig vind ik dat. En je hoort ze nog steeds vooruitgaan. De groei gaat door, een leven lang.”

Zijn pensioen aan het conservatorium van Amsterdam wordt dan ook vooral ingegeven door alles wat erbij komt, zegt hij, het gedóé. „Laatst was ik naar het conservatorium gereden, met de auto, maar moest ik onverrichter zake naar huis omdat de parkeergarage vol was. Kijk, dáár heb ik geen zin meer in. Maar met het werk zelf heeft dat niks te maken, dat geeft me juist energie.”

Wie in Nederland ‘pianist’ zegt, zegt Jan Wijn. Generaties pianisten werden door hem opgeleid. Ronald Brautigam, Wibi Soerjadi, Hannes Minnaar en de pianobroers Arthur en Lucas Jussen – de lijst is eindeloos. Zijn succes? Humor, pianistisch meesterschap én een aangeboren drive om les te geven. „Als kind wilde ik onderwijzer worden, net als mijn moeder. Mijn vader was tekenleraar. Ik had in mijn kamertje zelfs een schoolbord waarmee ik meestertje speelde.”

Maar u werd, eerst, concertpianist.

„Dat liep zo, ja. Mijn moeder leerde me noten lezen, daarna ging ik op pianoles. Op de middelbare school was ik op de piano vaak de held van de leerlingenavonden. Dat doet wat met je.

„Aanvankelijk zat ik het liefst achter de piano te ‘componeren’; eerst namaak-Beethoven, later namaak-Chopin en zo verder naar Brahms, mijn lievelingscomponist. Ik heb talent voor imiteren, ook stemmen gaan me goed af.”

Imiteert u ook pianisten?

„Alleen hysterici, zwakheden uitvergroten is gemakkelijk. Maar juist aan overdreven pianisten heb ik een vreselijke hekel. Mijn eigen leraar, Cornelius Berkhout, doceerde een priesterlijke toewijding, die tot uitdrukking diende te komen in respect voor de componist. Pianospelen doe je niet voor je eigen sier.

„Aanvankelijk wilde ik naar het conservatorium om zelf ook leraar te worden. Maar naar aanleiding van een radio-uitzending ging er een impresariaat voor me aan de slag, en toen ging mijn carrière als concertpianist rollen. Mijn debuutrecital in Den Haag trok zeven recensenten, stel je voor. Ook bij het Concertgebouworkest heb ik een paar keer gesoleerd.”

Wat was het beste concert dat u ooit gaf?

„Erg goed vond ik mijzelf in de Burlesque van Strauss in 1977. Die opname heb ik later naar leerlingen gestuurd, onder het motto ‘dan weet je hoe Ome Jan ooit speelde’.

„Ergens ben ik echt een podiumdier en vond ik optreden heerlijk. Maar het ging me niet makkelijk af. Ik was altijd zenuwachtig. Misschien had ik gewoon te weinig talent om er plezier in te hebben.”

Pianopedagoog Jan Wijn

Foto Merlijn Doomernik

Uw carrière knakte in 1976. Hield dat daarmee verband?

„Focale distonie, de kwaal die me parten speelde, is een beroepsziekte. Je vingers rollen naar binnen, omdat de hersenen verkeerde boodschappen uitzenden. De hele natuurlijkheid van mijn spel was weg. Ik dacht zelf natuurlijk ook dat het zou kunnen liggen aan mijn zenuwen. Maar de psychiater die ik bezocht, begon meteen over mijn familie . ‘Een spin trekt zijn poten in als hij bang is’, was zijn tekst. Wat een onzin. Ik heb veel toverdokters gezien, maar het verlossende woord kwam niet – of het was de nuchtere vaststelling dat er een hersenfunctie is uitgeschakeld die je, hoe je het ook probeert, niet meer echt kunt aanzetten. Gelukkig had ik toen al de nodige leerlingen, en dat werden er wel steeds meer.”

Vond u het erg, het stoppen met optreden?

„Jazeker, het was een lijdensweg. Ik heb erom gehuild. Maar het lesgeven dempte de pijn. En er was geen alternatief. Dat ik steeds minder tevreden was over mijn eigen spel, maakte het ook makkelijker. En eerlijk is eerlijk: het was ook wel een veel rustiger leven. Een beetje met een geleerd gezicht zeggen hoe een ander piano moet spelen, dat is maar wat makkelijk, haha. Maar in ernst: het windt mij op, lesgeven. Ik krijg er een kick van. Geef me een leerling, en ik functioneer. Zo simpel is het.”

Hoe verhouden de leerlingen uit het begin van uw carrière zich tot die van nu?

„Het instapniveau is veel hoger. Als ze beginnen, hebben ze het technisch niveau waarop je in mijn tijd eindexamen deed.”

Pianisten waren vroeger slechter?

„Nee, dat is het niet, maar ze beginnen eerder. Net als schakers. En dat is een goede ontwikkeling want technisch leer je het meeste tussen je achtste en je achttiende.”

Technisch. En muzikaal?

„Ja, ook muzikaal hebben studenten meer benul van wat ze willen. Er is ook meer info, natuurlijk. Opnames zijn overal voorhanden. En ouders met begaafde kinderen weten beter de weg. Vroeger had je niet eens jong talent-afdelingen op de conservatoria. Dat dat er nu allemaal wel is, is een enorme verbetering. Als ik jurylid ben op het Steinway Concours, zie ik allemaal heel leuke kinderen die vol zijn van muziek en ontzettend goed pianospelen. Dat vind ik geweldig.”

Wat is de grootste uitdaging van het lesgeven?

„Leerlingen kunnen angsten ontwikkelen waardoor ze onder hun niveau gaan spelen. De remedie is een andere speelhouding. Doe alsof je geen student bent, maar een concertpianist met vijftig jaar ervaring. Vaak helpt dat om de speelvreugde te herstellen. Zie hoe iemand als Yuja Wang haar handen gebruikt! Ze zet niks klaar, ze begint gewoon. Jam, toef. Dát. Zo’n natuurlijke manier van pianospelen moet je zien te bereiken. Er valt veel te leren van supertalenten en hoe die risico nemen. Niet kijken voor je springt; je spieren weten allang waar ze moeten zijn. Maar durven vertrouwen op de wijsheid van je vingers, dat is een lang proces.”

U gaf les aan uiteenlopende persoonlijkheden, is lesgeven niet ook maatwerk?

„Natuurlijk. Daarom heb ik ook geen vaste methode. Voorbij de algemene waarheden – zoals dat te hard studeren kan leiden tot remmingen – is de persoonlijkheid van de leerling cruciaal, én diens handen. Sommige leerlingen hebben heel rare handen. Spartelhanden. En soms maken ze met die fladdervingers dan toch een grote carrière. Nou, fladder dan maar. Het punt is: je moet steeds kijken tot hoever je kunt gaan als leraar, en niemand in een methodisch keurslijf dwingen. Maar het helpt wel vaak om tegen je handen zeggen; wees vrij en vrolijk, en doe het maar lekker zelf.”

En muzikaal? Muzikaliteit is ook een gave, en interpretatie smaak. Hoe gaat u wat dat betreft als docent te werk?

„De essentie is dat je duidelijk probeert te maken dat muziek een taal is. En taal is logisch. Wanneer ik de zin ‘morgen ga ik naar de kapper’ uitspreek, heeft die zin melodie en ritme. Maar een pianist die overdreven speelt, laat zo’n zin dan bijvoorbeeld klinken als ‘morgen gá ik toch EENS naar de kap-pér!’ Belachelijk en betekenisloos. Dat inzicht is ontzettend belangrijk. De een snapt dat op zijn twintigste, en de ander nooit.

„Mijn andere stokpaardje is het juiste tempo. Te langzaam is ijdel, te snel is fout. Als er ‘Allegretto’ staat, is dat niet ‘Allegro’. Neem het langzame deel uit het Vierde pianoconcert van Beethoven, dat moet ‘Andante con moto’ worden gespeeld: met beweging dus. Veel luisteraars kwijlen van genot bij uitvoeringen die veel te langzaam zijn, dat vinden ze zó diepzinnig. Maar het is hartstikke fout. En nu ik ouder word, maak ik me er ook kwaad over. Het is veel moeilijker om te overtuigen in het goede tempo, namelijk. Een juist tempo klinkt eenvoudig, onopgesmukt – en in die zin haast verdacht.

Maar wat is juist? Dat lijkt me nou net het lastige.

„Dat is waar, dat maakt muziek ook zo heerlijk. Neem Schuberts Pianosonate D960. Bij Svjatoslav Richter duurt dat eerste deel ruim tweeëntwintig minuten, heel erg langzaam dus. En toch moest ik me gewonnen gegeven, omdat Richter zo’n groot pianist is. Ik liet me trakteren.”

Trakteren? Verleiden!

„Ja, verleiden, sommige grote pianisten kunnen dat. Recent hoorde ik Grigori Sokolov in het Derde pianoconcert van Rachmaninov. Ook zijn keuzes waren niet de mijne, en ook door hem werd ik verleid.

„Als pedagoog is dat ook de goede instelling, denk ik: niet te dogmatisch zijn. Als ik voel dat wat ik zeg niet aanslaat bij een leerling, komt er een moment waarop ik dat moet accepteren. Dan moet en mag hij het op zijn eigen manier doen. Deels ís muziek maken namelijk ook persoonlijk, en niks is absoluut. Maar er bestaat wel zoiets als kennis van een bepaalde stijl. Zoals Willem Brons Bach speelt, dat vind ik fantastisch. De harmoniewisselingen bepalen zijn tempogevoel: zijn spel maakt de muziek inzichtelijk. Waardoor je al luisterend denkt: ja, zo klopt het.”

Jan Wijn geeft masterclasses op het Festival Jong Talent Schiermonnikoog; 13 t/m 20/3. Inl: schiermonnikoogfestival.nl