Pensioenfonds klem tussen beurs en rente

Coronacrisis De financiële gezondheid van pensioenfondsen gaat hard achteruit door paniek op de beurzen en knellende rekenregels.

De vrees voor een economische recessie door de gevolgen van het coronavirus en een prijzenoorlog in de oliesector leiden tot grote onrust op de financiele markten.
De vrees voor een economische recessie door de gevolgen van het coronavirus en een prijzenoorlog in de oliesector leiden tot grote onrust op de financiele markten. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Even waren pensioenfondsbestuurders hoopvol. Eind vorig jaar krabbelde de rente weer op, drie maanden lang. Geld sparen werd iets aantrekkelijker, ook voor pensioenfondsen.

Daardoor had het een na grootste pensioenfonds, Zorg en Welzijn, eind december een dekkingsgraad bereikt van bijna 100 procent, waarmee het precies alle toekomstige pensioenuitkeringen kon garanderen.

Maar deze week kregen de fondsen weer een harde klap te verwerken. De waarde van hun aandelenportefeuille zakte in door wereldwijd dalende koersen, als gevolg van de onstuimige oliemarkt en Covid-19. Sinds januari daalt ook de rente weer gestaag.

Lees ook: Is wat we nu zien weer een crisis als in 2008 met Lehman?

De gemiddelde dekkingsgraad van pensioenfondsen is nog maar krap boven de 90 procent, volgens een schatting van pensioenadviesbureau Aon. Halverwege februari was dat nog 104 procent.

‘Brandend huis beschermen’

Als op de beurs paniek en chaos heersen, is er maar weinig wat pensioenfondsen kunnen doen. Zij leggen hun beleggingsbeleid voor de lange termijn vast en sturen hooguit een beetje bij.

Een pensioenfonds kan bijvoorbeeld financiële producten kopen om zich in te dekken tegen een daling van aandelenkoersen of de rente. Maar hoeveel zin heeft het om die te kopen ná zo’n daling? „Dan ga je in feite een brandend huis beschermen”, zegt Corine Reedijk van pensioenadviesbureau Aon. Bovendien zijn zulke producten vaak duur en complex, die wil je niet te vaak kopen en verkopen.

Lees ook: Het pensioenfonds voor priesters presteert nog prima

Pensioenbeleggers moeten dus ook een beetje onverstoorbaar zijn. „Wij zijn een langetermijnbelegger”, zegt ook een woordvoerder van PGGM, dat het pensioengeld van Zorg en Welzijn belegt. „Wij weten dat er altijd pieken en dalen zullen zijn. Daar hoeven wij niet heftig op te reageren.”

Wel ziet Reedijk dat pensioenfondsen deze weken van coronapaniek wat vaker vergaderen. Bijvoorbeeld over de vraag of dat langetermijnbeleid toch iets bijgestuurd moet worden. „Maar er wordt niet snel iets veranderd.”

Ook het grootste pensioenfonds ABP houdt nog vast aan zijn beleid. „Er moeten zeer goede redenen zijn om daarvan af te wijken”, zegt een woordvoerder.

Bescheiden verwachting

Op de lange termijn zullen de pensioenpotten blijven groeien – daar twijfelt niemand aan. Maar ook die verwachting voor de lange termijn is bescheidener dan vroeger.

Tien jaar geleden hielden pensioenfondsen nog rekening met rendementen van 5 à 6 procent per jaar, zegt Reedijk. „Nu is dat eerder 3 tot 3,5 procent.” Het ABP, dat relatief risicovol belegt, gaat uit van 4 procent.

Lees ook: Geld sparen in een pensioenfonds, hoe slim is dat nog?

Maar zelfs in de maanden dat pensioenfondsen beleggingswinst boeken, daalt regelmatig hun dekkingsgraad. En dat komt door de ‘rekenrente’. Die is grotendeels gebaseerd op de marktrente voor veilige staatsobligaties.

Met de rekenrente moeten pensioenfondsen berekenen hoeveel vermogen ze nú nodig hebben om hun toekomstige pensioenuitkeringen te kunnen garanderen. Hoe lager de rente, hoe meer geld ze in kas moeten hebben om hun dekkingsgraad op peil te houden.

De impact wordt snel duidelijk met een rekenvoorbeeld. Om een uitkering van 100 euro over dertig jaar te beloven, moest een pensioenfonds met de rekenrente van vorig jaar februari zo’n 65 euro in kas hebben. Nu moet een fonds, voor precies diezelfde belofte, al bijna 90 euro bezitten.

Knellende regels

Die rekenregels beginnen steeds meer te knellen. Daarom overwegen het kabinet, werkgevers en vakbonden zelfs om het pensioenakkoord op te breken, werd vorige maand bekend. Ze onderzoeken of ze een pensioenstelsel kunnen ontwerpen dat geen rekenrente meer nodig heeft.

De sociale partners zagen de rentedalingen en realiseerden zich dat de pensioenen onder de vorig jaar afgesproken regels net zo kwetsbaar zou blijven voor een rentedaling als nu.

Lees ook: Sociale partners verkennen nóg onzekerder pensioen

In de variant die zij onderzoeken, doen pensioenfondsen helemaal geen beloftes meer over de hoogte van de toekomstige uitkering. Daardoor hoeven ze ook niet meer te berekenen hoeveel geld ze nodig hebben om die beloftes na te komen. De rekenrente wordt minder belangrijk.

Het tot nu toe opgebouwde pensioenkapitaal wordt dan leidend. Pas als iemand bijna met pensioen gaat, is precies duidelijk hoe hoog de uitkering wordt. Tot die tijd zullen pensioenfondsen alleen voorzichtige voorspellingen geven.

Het betekent dat vakbonden een lastige concessie moeten doen: een pensioen zonder beloftes is een onzekerder pensioen.

Maar hoe verder de rente zakt, hoe sterker de wens wordt – ook bij vakbonden – om afscheid te nemen van de rekenrente.