Opinie

Interieur

Ellen Deckwitz

Afgelopen zondag hielp ik een voormalig stel met verhuizen. P. en L. waren twintig jaar samen geweest en de koek was volgens hen gewoon op. Hoewel ze zich hadden voorgenomen om vrienden te blijven, werd de verhuizing toch een tornado van emoties, met knuffelsessies, gehuil en af en toe wat gekibbel over de spullen.

Toen ze op een zeker moment een muntje opgooiden om te bepalen naar wie de wc-ontstopper ging, moest ik denken aan toen ikzelf samenwoonde. Het was jarenlang heel leuk, maar op een zeker moment kreeg ik het gevoel dat we vooral uit gewoonte nog bij elkaar bleven. We spraken niet meer, als ik met hem op de bank zat en hij mijn rug streelde was het alsof hij een afgestoten huidlaag aaide, waaronder een nieuwe editie van mezelf lag, eentje die niet meer bij hem paste.

In wat naderhand de blessuretijd van onze relatie bleek te zijn, merkte ik dat ik met een andere blik naar ons huis begon te kijken. Een deel van mij was de inboedel al aan het verdelen. Wat het niet makkelijker maakte, was dat ik van het gros van het meubilair en planten geen idee meer had hoe we eraan waren gekomen, wat nu precies aan wie toebehoorde. Dat is een van de kwalijke bijwerkingen van intimiteit: dat je zo lang samen bent dat de grens van het persoonlijke vervaagt.

De tijd ging steeds trager, we zaten met donkere ogen aan het ontbijt, uitgeput van de uren die we wakker lagen naast elkaar, starend naar het gebarsten gipsplafond.

Overdag waren er momenten dat ik door de woonkamer ijsbeerde, piekerend over een relatie die slechts nog bestond uit het delen van de huur en het internet. Waar moeten we straks dan wonen, piekerde ik, weet je hoeveel tijd verhuizen kost, hoeveel geld een nieuwe woning, borg, hoeveel gedoe het oversluiten van gas, water, licht wel niet is, het sturen van verhuisberichten, het opheffen van een huishoudrekening. En toen stopte ik met peinzen.

Dat ik me meer zorgen maakte over de praktische gevolgen dan de emotionele wees erop dat de relatie echt niet meer levensvatbaar was. Ik schreef een briefje, legde hem op de keukentafel en knikte nog eenmaal naar de woonkamer. Voor mijn ogen zag ik de verhuisdozen al staan, de briefjes op de meubelstukken. Opgelucht en verdrietig trok ik de deur achter me dicht. Zacht iets van Mieke Telkamp voor me uitzingend, liep ik de straat uit, zo afscheid nemend van een thuis, en alle onzichtbare afspraken daarachter.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.