Foto Lars van den Brink

Interview

‘Elke stad kan wel een troubadour gebruiken’

Muziek Maarten van Veen bezingt als stadstroubadour van Deventer de onbezongen helden van de stad. „Ik zing veel liever in huiskamers of in wijkcentra.”

Bianca van Dalen (38) is een vrijwilliger zoals er vermoedelijk niet al te veel rondlopen. Op maandag runt ze in ‘haar’ Huis van de Wijk de kinderclub. Op woensdag: de buurtmaaltijd. Op donderdag wandelt ze met een groep buurtbewoners een rondje door de wijk, een initiatief van de huisarts. Eens in de maand prikt ze bovendien met andere wijkbewoners een zaterdag lang het rondslingerende vuil van de grond. „Dit is de smerigste wijk van Deventer, dus we zijn vaak wel even bezig”, lacht ze.

Haar beide tienerkinderen weten niet beter dan dat ze in een hoekje van het wijkhuis hun huiswerk moeten doen terwijl hun moeder in de weer is voor de buurt. Sinds vijf jaar vormt dit gebouw het maatschappelijk hart van – voormalige Vogelaarbuurt – de Rivierenwijk. Onderwijl scharrelt er ook nog een dreumes van bijna 2 rond. Een nakomertje, dat kon er ook nog wel bij in het gezin van vuilnisman Roland en Bianca. „Ik ben hier gemiddeld dertig uur per week te vinden. Met dank aan mijn man hoor, want als hij niet elke dag op de wagen zou staan zou ik dat natuurlijk niet kunnen doen”, zegt Bianca van Dalen.

Toen haar werd gevraagd of er een liedje over haar mocht worden gemaakt, stond het voor Bianca meteen vast dat Roland dan óók in het zonnetje moest. „Al had het van mij sowieso niet gehoeven, hoor”, haast ze zich erbij te zeggen. Toch zit ze hier nu, met haar familie, op een doordeweekse dag in februari na de wekelijkse buurtmaaltijd in het wijkhuis. Op de eerste rij, omringd door familie, buren en andere vrijwilligers. Een kleine meter vóór hen staat Maarten van Veen (33), een singer-songwriter met een kanariegele hoodie, een karakteristiek hoedje en een gitaar in zijn handen. Twee fotografen en een cameraman verdringen elkaar om het gezin in beeld te brengen. Het liefst in één shot met de man die hen vanavond hun ongevraagde aubade bezorgt.

Van Veen is sinds begin 2020 stadstroubadour van Deventer, een betrekking die hij vervult naast zijn bestaan als singer-songwriter. Geholpen door een subsidie van de gemeente – 5.000 euro per jaar – brengt hij in twee jaar tijd tenminste tien muzikale odes aan stadsbewoners. „Ik wil dat we elkaar weer wat meer zien”, vertelt hij ter introductie aan de aanwezigen in het wijkhuis. Even later zal hij zijn lied voor Roland en Bianca voor het eerst ten gehore brengen. ‘De mensen’, heet het, twee woorden die de geëngageerde liedjessmid op de lippen bestorven blijken te liggen.

Het refrein is een echte meezinger, al blijft het vanavond bij wat instemmend geneurie en gemompel. ‘Als niemand meer komt doen wat moet gebeuren, hoe kun je dan wat maken van je wijk?’, zo klinkt het. ‘Wie opent de deur? Wie doet het licht weer aan? (…) De mensen die hier elke dag weer staan.’ Het liedje doet qua stijl denken aan Nederlandse protestzangers uit vroeger tijden, zoals Jaap Fischer en Boudewijn de Groot. Maar waar deze zangers met hun teksten vooral het systeem aanklaagden, zijn de teksten van Van Veen juist zwanger van meer eigentijdse waarden als verbinding, eigen initiatief en het vinden van rust in een rusteloze wereld. Protestmuziek voor millennials, zou je kunnen zeggen.

Op zijn meest recente EP, getiteld Station en uitgebracht onder zijn artiestennaam De Reisgenoot, staat het nummer ‘Leef’, dat zijn missie krachtig verwoordt:

Ik lees de krant allang niet meer. Nieuws herhaalt zich telkens weer. Liever zie ik alles in het echt, dan komt alles wat beter tot zijn recht. Ik vraag aan 1.000 mensen hoe het met ze gaat en verzamel al hun dromen als ik met ze praat.

De EP ‘Station’.

Voor zover hij weet is Van Veen de eerste stadstroubadour van het land. Hij heeft die aanstelling te danken aan een motiemarkt , die vorig jaar werd georganiseerd door de gemeenteraad van Deventer. „Ik liep al langer rond met dit idee en zag dit als mijn kans het te verzilveren.” Burgers mochten moties pitchen, die door raadsleden konden worden geadopteerd. Een aantal partijen zag zijn plan wel zitten en sleutelden met Van Veen net zolang aan het concept totdat er een – overigens minimale – meerderheid voor te vinden was. „Het hielp dat de lokale omroep meedeed met mijn plan. Dat trok politici over de streep.”

Enkele nominaties per maand

Bij elk lied verschijnt op zijn site een podcast en een video, zodat alle Deventenaren iets van zijn troubadourschap mee kunnen krijgen. Burgers van de stad kunnen andere burgers nomineren voor een liedje en daar kiest Van Veen de meest sprekende verhalen uit. Tot nu toe krijgt hij enkele nominaties per maand binnen. „Wat ik hoop is dat we zo wat meer oog krijgen voor mensen die misschien nooit de krant halen, maar wél de samenleving bij elkaar houden. Eigenlijk is troubadour dus niet helemaal het juiste woord, want troubadours waren vroeger een soort hofdichters en –zangers. Die bezongen juist de hoge heren.” Zijn debuut als stadstroubadour, op de nieuwjaarsreceptie van de gemeente, was een voorbeeld van hoe zijn troubadourschap door hem níét bedoeld is. Zijn gezongen ode aan de markante koster van de Lebuïnuskerk viel die middag nogal in het niet bij het luide geborrel van de bestuurders en de ambtenaren. „Ik zing veel liever in huiskamers of in wijkcentra. Daar is veel meer aandacht voor het liedje.” Zo nu en dan wordt hij als liedjesschrijver ook gevraagd om persoonlijke levensverhalen van mensen in een song te vertalen. Laatst zelfs voor iemand die terminaal ziek is. „Dat was erg bijzonder om te mogen doen.”

Foto Lars van den Brink

In tijden waarin artiesten het vaak eerder van hun beats, dan van hun teksten moeten hebben, kiest Van Veen voluit voor het laatste. En dan niet over drugs of de liefde, maar over de samenleving. Op zijn EP staat bijvoorbeeld een weemoedig liedje dat hij voor zijn pasgeboren zoon schreef, over het vinden van rust in een wereld waar voortdurend van alles aan de hand is.

Waar komt dat engagement toch vandaan? Aanvankelijk weet hij er niet goed antwoord op te geven. Een domineeszoon is hij niet, gelovig evenmin. Hij komt uit een nuchter Noord-Hollands gezin van gewone CDA’ers die in het onderwijs werkzaam waren.

Een paar dagen na het interview bij hem in de thuisstudio belt hij op: „ik denk dat ik het tóch weet. Toen ik 15 was, overleed mijn moeder. Mijn oudere broers waren het huis al uit, dus ik zat veel alleen op mijn kamer. Mijn leeftijdsgenoten waren natuurlijk met hele andere zaken bezig, maar ik zat in de rouw. De teksten van Brainpower (‘Alleenzaam’) en andere hiphopartiesten uit die tijd leken wel voor mij geschreven. Ik haalde daar veel steun uit. Hier ontstond denk ik ook mijn verlangen om anderen dezelfde herkenning cadeau te doen.” Het was dit verlangen dat hem via een kortstondige loopbaan als muziektherapeut en een uitstapje naar de Rockacademie tot zijn huidige freelancepraktijk als fulltime troubadour bracht.

Vergeten oorlogshelden

Als hem eenmaal een onderwerp is aangereikt gaat hij bijna journalistiek te werk. Zo onderzoekt hij momenteel de lokale oorlogsgeschiedenis, op zoek naar vergeten oorlogshelden om op 4 en 5 mei te bezingen. „Of ik iemand vind, weet ik op dit moment nog niet. Ik zoek gewone, bijzondere mensen. Mensen als Roland en Bianca, zeg maar.”

Dat uitgerekend dit vrijwilligersechtpaar werd uitverkoren om door de stadstroubadour te worden toegezongen viel overigens niet bij alle collega-vrijwilligers even goed. Anderen verdienden het net zo goed, zo klonk het in de wijk. Die waren al langer bij het buurthuis betrokken of zouden nóg meer doen.

Bianca: „We hebben daarom best even getwijfeld voor we met Maarten in gesprek gingen. Maar het gaat uiteindelijk niet om mij en mijn gezin. Het leek me vooral goed als ons wijkcentrum zo in de aandacht zou komen. Nadat we begin deze eeuw als Vogelaarwijk werden bestempeld, zijn veel wijkbewoners tijdelijk de wijk uit geweest omdat hun huizen gesloopt en daarna herbouwd werden. De afgelopen jaren keren ze een voor een terug en moeten we nu op zoek naar een nieuwe samenhang met elkaar. Daar kan het Huis van de Wijk bij helpen.” Maar, „toegegeven” , glundert ze, zichtbaar trots, „nu het zover is vind ik het toch wel erg mooi hoor. Ik ben normaal niet zo van de spotlights, maar als ze dan een keer op je gericht worden, dan moet je daar niet voor weglopen.”

Lees ook: Muziek tijdens de opvoeding: laat ze lekker pingelen

Van Veen hoopt dat de politici die hem de middelen voor zijn troubadourschap verschaften de meerwaarde van dit soort odes zullen blijven inzien. „Ik ken zo een dozijn artiesten die het stokje van mij kunnen overnemen.” Deventer heeft – zoals veel gemeentes – ook al een stadsdichter. „Maar die zijn er vooral voor de officiële gelegenheden. Troubadours bezingen de werkelijkheid van alle dag. Juist zonder dat er een aanleiding voor is. Bovendien bereikt muziek ook mensen die door de dichtkunst minder snel worden aangesproken.” Of hij aan het begin van een nieuw instituut staat, dat ook buiten Deventer tot navolging kan leiden? „Dat lijkt me wel, toch? Elke stad zou wel een troubadour kunnen gebruiken. Dit is verder het soort kunst dat juist de VVD zou moeten aanspreken, zeg maar. Het levert de samenleving direct iets tastbaars op. Daar kan niemand iets op tegen hebben, lijkt me.”