Ned Kelly (George MacKay) is in ‘True History of the Kelly Gang’ een punkrocker die met zijn paardenroversbende Australië op zijn kop zet.

Interview

George MacKay: ‘Aan hypermasculiniteit zit een erotische kant’

Interview | George MacKay 2020 is het nieuwe doorbraakjaar van de Britse acteur George MacKay. In ‘True History of the Kelly Gang’ kruipt hij in de huid (en jurk) van de beruchte Australische outlaw Ned Kelly.

Zo hebben we Ned Kelly nog nooit gezien. En de beruchte negentiende-eeuwse Australische bushranger en outlaw is in de filmgeschiedenis toch door flink wat acteurs neergezet. Door de betreurde Heath Ledger bijvoorbeeld. Door Rolling Stone Mick Jagger. En nu schaart de Engelse acteur George MacKay (1992) zich in dat rijtje. Hij speelt hem als een mix van Johnny Rotten en Kurt Cobain, een punkrocker in een jurk, een androgyne jongeman in een half-incestueuze relatie met zijn moeder, een homo-erotische vriendschap met zijn sidekick Joe en een kalververliefdheid op het piepjonge hoertje Mary.

Het is altijd een plezier om tegenover een acteur te zitten die zich zo kan transformeren. In het echte leven zou je hem waarschijnlijk voorbijlopen. Een volwassen kostschooljongen. Niks bad boy. En terwijl hij tegenover een klein groepje journalisten zit op de bank in een club in Toronto waar Justin Kurzels True History of the Kelly Gang op het filmfestival zijn wereldpremière beleefde, kun je je al helemaal niet voorstellen dat hij net nog gewelddadig en onberekenbaar op een filmdoek rondgaloppeerde. „Tea, anyone?”, vraagt hij beleefd ironisch als de persagent hem een thee-voor-één serveert.

Maar laat je niet door dat bleue uiterlijk misleiden. Ondanks zijn nog geen dertig jaar en bijna evenveel filmrollen op zijn filmografie (van oorlogsdrama Defiance tot de historische LGBT-film Pride en Captain Fantastic) praat hij alsof hij het Engelse acteren eigenhandig heeft uitgevonden. Wat ervoor nodig was om paardendief Kelly te spelen? „Een jurk en wat as rond m’n ogen.”

Hij verwijst naar wat ongetwijfeld een iconisch beeld uit de film zal worden: de leden van de virulent anti-Engelse paardenroversbende die als spoken in jurken de strijd met het gezag aangaan. Maar hij refereert ook aan de onorthodoxe methode die regisseur Kurzel hanteerde om van het viertal een gang te smeden: „Hij vroeg ons ter voorbereiding een punkband te formeren, nummers te schrijven en een optreden te geven.” De naam van de band? „Uhm, Fleshlight.” Oké… „Een soort seksspeeltje.” Aha.

Meer method

Dan wint Johnny Rotten het definitief van Laurence Olivier. MacKay is uiteindelijk meer method dan naturalistisch: „Ik hou ervan om me compleet in een rol onder te dompelen. Paardrijden. Houthakken. Alles wat ervoor nodig is om in een personage te verdwijnen.” En dat betekende ook in zijn familiegeschiedenis duiken: „Mijn vader is half-Iers. Dus dat hielp ook bij het begrijpen van de animositeit tussen de Ierse Kelly-gang en het Britse gezag. Al heb ik gelukkig een wat minder disfunctionele relatie met mijn vader. Maar dat is wat acteren is. Je speelt personages die misschien heel ver van je af staan, maar je kunt ze niet belichamen zonder ze ergens diep in jezelf toch te herkennen.”

MacKay weet waar hij het over heeft. Hij acteert sinds hij tien is. Zijn filmdebuut was als Curly, een van de ‘verloren jongens’ in Peter Pan in 2003. Maar 2020 is zijn nieuwe doorbraakjaar. „Ik ben er min of meer per ongeluk ingerold, zonder er al te veel over na te denken. Mijn ouders werken allebei in het theater. Maar ik had het geluk om al heel snel met zeer ervaren collega’s samen te werken, zoals Daniel Craig, Bill Nighy en Viggo Mortensen, acteurs met een enorm arbeidsethos, en daar heb ik uiteindelijk het meeste van geleerd. Het gaat erom verhalen zo te vertellen dat ze je iets duidelijk kunnen maken over de menselijke psyche en de wereld.”

Lees hier de recensie van ‘True History of the Kelly Gang’

Momenteel is MacKay ook te zien in Sam Mendes’ Oscar winnende visuele huzarenstukje 1917. „Er is niet zo’n groot verschil tussen ‘a fuck and a fight’, er zit een erotische kant aan hypermasculiniteit, of zelfs aan de toxische masculiniteit die Ned vertegenwoordigt. Op een bepaalde manier is de Kelly Gang ook een coming-of-ageverhaal. Ned moet zich zien los te worstelen van zijn moeder, die zijn echte grote liefde is, maar die hem ook heeft vergiftigd met haar moederliefde. De energie van de film ligt in al die tegenstrijdigheden. Dit soort rollen heeft me wel geleerd om steeds beter na te denken over de verantwoordelijkheid die je als acteur hebt. Ned Kelly is een mythe, een held, een rolmodel. We denken dat helden een zuiver moreel kompas hebben. Maar als deze film één ding laat zien dan is het dat dat niet zo eenvoudig is. Wat voor de een Noordoost is, is voor de ander Zuidwest.”