Opinie

De hopeloosheid in de laatste pensioencrisis

Menno Tamminga

Het Nederlandse pensioenstelsel is als die dinosaurus die maar niet wil sterven. Z’n overlevingsdrift dwingt bewondering af, maar tegelijk ook medelijden. Waarom toch doorgaan als je ziet dat het klimaat zo hopeloos is? Dat klimaat is de optelsom van de situatie op de drie markten die er voor het pensioen toe doen: de financiële markt, de arbeidsmarkt en de kiezersmarkt.

Hoe zit het ook weer? De meeste werknemers sparen verplicht via hun werkgever voor een aanvullend pensioen. Werknemers en werkgevers betalen samen pensioenpremies. Die worden gestort in een pensioenfonds. Het pensioen komt bovenop ‘staatspensioen’ AOW, de basisuitkering.

Zelfstandigen moeten het zelf opknappen. Vandaar dat de scheefgroei op de arbeidsmarkt, met 2 miljoen zzp’ers en (jonge) flex-contractanten in het nadeel werkt van het pensioenstelsel. Minder jonge aanwas.

Lees ook deze terugblik op de relatie tussen politiek en pensioen. Waarom pensioenen korten zo moeilijk is voor politici.

De eerste relevante markt verkeert in een crisis. De beleggingsmarkt. De pensioenfondsen beheren ruim 1.700 miljard euro. Dat was de stand per eind 2019, dus vóór de beurspaniek om het coronavirus en de prijsoorlog op de oliemarkt. Een deel van dat vermogen is belegd in aandelen. Dat is nu een verliespost. Een deel zit in obligaties die almaar in koers stijgen: beleggers zoeken zekerheid. Dat pakt gunstig uit voor pensioenfondsen.

Maar de jacht van beleggers op zekerheid heeft voor de pensioenwereld ook een beroerd gevolg. Als de koers van de obligaties stijgt, daalt namelijk het rendement op die lening. De vaste rente op de obligatie wordt een steeds kleiner bedrag op de koers van de obligatie. En nu komt het vervelende: de pensioenfondsen moeten die lagere rente gebruiken om de waarde te becijferen van de pensioenen die ze werknemers morgen betalen en die ze over twintig of vijftig jaar hebben toegezegd. Die rente heet de rekenrente.

De marktrente is mede door het anticrisisbeleid van centrale banken ultralaag of zelfs negatief. De beurspaniek geeft de rente een extra duw omlaag. De rekenrente volgt. De pensioenfondsen hebben minder (vermogen), maar ze moeten meer (verplichtingen stijgen). Dat wordt onhoudbaar.

Werkgevers en vakbonden zien pensioen als een arbeidsvoorwaarde. Maar het is voor de werknemers een financieel product. De werknemer betaalt steeds meer voor pensioen en zekerheid, maar hij krijgt een onzekerder uitkomst. Een product dat al tien jaar niet meer meestijgt met lonen of prijzen. Oftewel: meer pensioenpremie voor minder koopkracht.

Hoe lang zit er nog leven in dat stelsel? Werkgevers en vakbonden onderhandelen al twaalf jaar over modernisering. Maar de realiteit, zoals de ultralage rente, haalt een oplossing steeds in. Is dit de laatste pensioencrisis?

Men praat sinds kort over een manier om de rol van die vermaledijde rekenrente te reduceren én de hoogte van de pensioenen minder zeker te maken. Dat laatste gebeurt ook zonder een nieuw systeem. Het Centraal Planbureau ging vorige week in zijn prognoses uit van pensioenverlagingen bij enkele grote fondsen in de marktsector. Nu dreigt dat voor meer fondsen. Net als vorig jaar, toen politici dat voorkwamen in afwachting van een nieuw pensioen dat nu al gedateerd is.

Zo wordt pensioen een splijtend politiek onderwerp. Dat hadden de vakbonden en werkgevers nooit bedoeld. Pensioen was van hén. Maar hun regie verbrokkelt.

Straks beslist de kiezersmarkt over de pensioentoekomst. In 2021 zijn er Tweede Kamerverkiezingen. Wordt dat ‘oud’ versus ‘jong’? Pensioen houden of hervormen? Pensioen is de inzet van de nieuwe strijd in vergrijzingstijd.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.