Opinie

Antisemitisme in het duister

Frits Abrahams

Op internet zag ik een luguber filmpje waarin de spelersbus van Ajax arriveert bij het stadion van FC Utrecht, afgelopen woensdag. Het is al donker als de spelers een voor een de bus verlaten om door een haag van supporters het stadion binnen te gaan.

De supporters zijn onrustig, ze joelen en roepen naar de spelers, die zonder een zichtbare reactie doorlopen. Tot zover niets bijzonders, maar dan klinken opeens spreekkoren: „Hamas! Hamas! Joden aan het gas!” en „Joden gaan eraan!” Ook die teksten zijn niet nieuw, maar in deze verhitte sfeer, gecombineerd met de anonimiteit van de duisternis, klinken ze onheilspellender dan anders.

Zo moeten ook anderen het ervaren hebben, want het bestuur van FC Utrecht liet na afloop weten het gedrag van deze fans „ten zeerste af te keuren en zich te distantiëren van iedere vorm van antisemitisme”. Zulke spreekkoren waren ook tijdens de wedstrijd op de tribunes te horen geweest. Het Openbaar Ministerie gaat het onderzoeken.

Al in 2015 werd FC Utrecht door de KNVB beboet omdat tegen Ajax vanaf de Bunnikside-tribune meerdere keren antisemitische spreekkoren werden aangeheven.

Een tijd lang zijn dergelijke praktijken min of meer vergoelijkt met de verklaring dat zulke teksten niet antisemitisch bedoeld zijn, maar slechts uitingen zijn van jolig clubchauvinisme van onnozele geesten. „Ze weten niet beter.” Ook zou het een onschuldige reactie zijn op het feit dat sommige Ajax-fans zich de onzalige geuzennaam ‘Joden’ hebben aangemeten.

Als ze niet beter weten – wat ik ernstig betwijfel – wordt het tijd om zulke schreeuwers een paar geschiedenislesjes te leren. Daartoe moeten ze wel opgespoord en strafrechtelijk vervolgd worden. Want wat als geschreeuw begint, kan als kloppartij eindigen. Daarom hebben ze bij de Joodse zaalvoetbalvereniging Maccabi al besloten, zo schreef NRC zaterdag, om hun regelmatig antisemitisch uitgescholden spelers te beveiligen.

Gelijk hebben ze – antisemitisme mag geen verschijnsel worden dat met gelatenheid geaccepteerd wordt. In dit verband moet ik denken aan iets wat Marga Minco in 1991 tegen haar interviewer Ischa Meijer vertelde. Ze had enkele jaren eerder in Canada opgetreden voor een club van Nederlanders. Ze hadden zich tegen haar gekeerd toen ze wat feiten over de Jodenvervolging opsomde. „Hoe ik het in mijn hersens haalde om de Nederlanders zwart te maken voor die Hollandse club daar. Terwijl ik gewoon met cijfers kwam: zoveel Joden waren er, zoveel zijn er teruggekomen, en er waren zoveel Nederlanders die geen poot hebben uitgestoken.”

Ze vertelde dat ze er spijt van had dat ze na de bevrijding haar woede had ‘weggestopt’. „Het is toch eigenlijk onvoorstelbaar hoe mijn generatie zich weer heeft kunnen aanpassen aan zoiets als een geordende, gewone samenleving, na alles wat ook die samenleving ons heeft aangedaan.”

Het Parool berichtte vorige week over een 11-jarig Joodse jongen die door zijn trainer bij de club GeuzenMiddenmeer steeds voor ‘kankerjoodje’ en ‘teringjoodje’ werd uitgescholden. De club heeft de man geschorst, de KNVB gaat het onderzoeken. Als hij schuldig is, pleit ik voor een taakstraf: het verzameld werk van Marga Minco of Primo Levi met de hand overschrijven en vervolgens voorlezen aan alle trainers van GeuzenMiddenmeer.