Reportage

‘Er zijn maar weinig mensen in de gedwongen zorg die je kunt vertrouwen’

Cliënt in de gedwongen zorg De 23 jarige R. heeft een verstandelijke beperking. Ze woont in een instelling in Appelscha. De hulpverlening beslist sinds 1 januari, onder de Wet zorg en dwang, over haar gedwongen zorg. En dus niet meer de rechter.

Illustratie Roland Blokhuizen

Ze loopt een klein beetje voorovergebogen, in een strakke broek, kort jack, op gympen. R. is fors en – volgens de begeleiders – beresterk. Haar gevlochten dreadlocks zijn donkerroze geverfd. Zelf gedaan, vertelt ze. Ze heeft tatoeages, en piercings in haar neus, lip en wenkbrauw. Donker opgemaakte ogen die je een beetje argwanend aankijken. Er zijn maar weinig mensen die je kunt vertrouwen, zegt ze later.

R. (23) vindt het heel spannend om met een journalist, of überhaupt een vreemde, te praten, zegt haar begeleider. Er wordt vooraf gemeld dat ze het gesprek misschien halverwege zal staken en weglopen. Maar dat valt mee. Af en toe, als het haar te veel wordt, kijkt ze weg en is ze een tijdje stil. Maar dan vertelt ze verder.

R. woont al drie jaar op dit terrein van zorgorganisatie Trajectum aan de rand van Friese Appelscha. Het is haar thuis. Een verzameling lage gebouwen, vlakbij het bos, met daarin appartementen voor 63 cliënten. Iedereen hier heeft een verstandelijke beperking, maar zeker de helft is ‘forensisch’ – zij leven hier en worden behandeld omdat dat onderdeel is van een straf. Tbs, onder meer. R. niet.

Ze heeft een verstandelijke beperking en psychiatrische klachten en lijkt in veel opzichten op haar medebewoners maar ze is nooit ergens voor veroordeeld.

R. valt onder de nieuwe Wet zorg en dwang. Als ze gedwongen zorg krijgt – wat voortdurend zo is – dan hoeft de rechter daar sinds 1 januari niet meer over te oordelen. Voortaan beslissen alleen de hulpverleners en een arts over dwangmaatregelen. Een ambtelijk orgaan, het Centrum Indicatiestelling Zorg, bepaalt of de ‘rechterlijke machtiging’, die bijvoorbeeld R. in Appelscha houdt, overeind blijft.

Twee keer heeft de rechter een rechterlijke machtiging voor R. met een jaar verlengd. „Ik mag alles in mijn kamer, maar geen scherpe dingen”, legt ze uit. „Ik neem mijn pillen. Dat moet, want ik krijg ze niet voor niets. Ik ben vaak gefixeerd en in de separeer beland. Maar mij iets laten eten wat ik niet wil? Dat zouden ze nooit doen.”

Stabiel genoeg

R. wil van die rechterlijke machtiging (rm, in jargon) af. Daarvoor moet ze haar begeleiders overtuigen dat ze stabiel genoeg is. Daar is ze sinds een paar maanden mee bezig. Ze neemt haar medicijnen trouw, vertelt ze. „Als ik dat weiger, krijg ik een aantekening. Als ik te vaak weiger, telt het mee op mijn rm. En de begeleiding wil niet constant op de pieper moeten drukken voor mij.” (Als een cliënt agressief wordt, dan alarmeert een begeleider anderen met een pieper.)

R., zo zegt R. zelf, zoekt steeds vaker naar een compromis.

Lees ook Interview met de licht verstandelijk beperkte Liam (18)

Sinds een paar maanden doet ze ook psychomotorische therapie – bewegen onder begeleiding. Zo leert ze zich te beheersen als ze boos wordt. Als ze vragen ‘wat voelde je?’, dan vindt ze die vraag moeilijk te beantwoorden, zegt ze. „Ik begrijp niet altijd waar het gevoel vandaan komt.” Ze moet bij elke sessie kaartjes aanwijzen die uitbeelden hoe ze zich voelt. „In eerste instantie vond ik dat moeilijk maar het gaat steeds beter.”

R. woont sinds drie maanden in een rustig huis met maar twee anderen. Ze worden ieder een-op-een begeleid. Ze kan hulp en aandacht krijgen wanneer ze maar wil. Dat pakt goed uit. Steeds minder vaak is ze boos. Vijftien mensen – „mijn team” – houden zich met haar bezig.

Sluiting dreigde

Twee maanden lang was er sprake van dit huis, waar ze zich prettig voelt, om financiële redenen zou sluiten. Dat gaf grote spanning. Ze laat de kamer zien waar ze in die periode van onzekerheid woonde. Gaten in de muur, deuken in de deur. „Ik heb alles kapot gemaakt.” Doet ze zichzelf op zulke momenten geen pijn? „Ik kan veel hebben.”

Als kind en tiener zat R. op een school voor zeer moeilijk lerende kinderen, vertelt ze. Er ging thuis van alles fout, op haar zeventiende ging ze de deur uit.

Ze moest taekwondo, de vechtsport die ze zo leuk vindt, opgeven omdat ze telkens moest verhuizen. Ze heeft nog wel contact met haar vader, broertje en zusje.

Een keer in de week moet ze koken, net als iedereen, en dat vindt ze vreselijk. Haar lievelingsgerecht is lasagne met garnalen en kippendij. In de ‘Kapschuur’, een creatieve ruimte op het terrein, maakt ze dingen, om geld te verdienen. Daarmee kan ze leuke dingen doen met de groep. Naar de film bijvoorbeeld, of sigaretten kopen.

R. is gek op muziek. Ze somt in sneltreinvaart op: metal, techno, house, hardcore, speedcore, dubstep en trap. „Negen van de tien keer” met een koptelefoon op. Anders hebben anderen er last van.

Levensdoelen

Ze heeft levensdoelen nu, die ze kan formuleren. Eigenlijk wil ze bij de politie werken, dat wilde ze als kind al. De politie zorgt dat alles veilig blijft, voor iedereen. „Als iemand dronken auto rijdt, dan is de kans op ongelukken groter. Dus daarom controleert de politie daarop. Zodat er minder ongelukken zijn.” En de politie helpt mensen in nood. Dat wil zij ook.

Als het niet lukt met de politie, dan wil ze graag een mbo-opleiding tot ervaringsdeskundige volgen. Wat is haar advies aan andere jonge vrouwen zoals zij die verplicht ‘gesloten’ wonen? „Hoe diep je ook zit, blijf altijd hoop houden. En knokken voor wat je wilt. Je moet er 100 procent voor gaan, niet voor 99 procent. En je moet altijd jezelf blijven. Niet te snel denken ‘boeit me allemaal niet’, want dan kom je geen stap verder.”

Haar doel, zegt R., is zo stabiel worden dat ze ‘open’ mag gaan wonen, zonder slot en grendel, op dit terrein.

En dan is er de cavia die op haar kamer woont. Ze is gek op hem. Ze voert hem, speelt met hem, checkt zijn vacht, geeft hem vier keer per dag water. Hoe hij heet? „Dat zeg ik niet. Ik wil dat hij anoniem blijft.”