Opinie

Onderwijs is de grote gelijkmaker

Marike Stellinga

Mag ik me vast verontschuldigen aan de lezers die denken ‘De plaat blijft een beetje hangen, mevrouw Stellinga’? Sommige platen moeten echt goed blijven hangen namelijk. In Nederland groeit de ongelijkheid in kansen van kinderen uit arme en rijke gezinnen, dus tussen kinderen van laag- en hoogopgeleide ouders. Ik zie weinig andere problemen die belangrijker zijn.

Hoe gelijk onze kansen zijn, definieert wat voor land wij zijn. Of je hier van een dubbeltje een kwartje kan worden. Of we kinderen optillen, ongeacht het gezin waaruit ze komen. Of we het individu zien, of de afkomst. Dit is een kerntaak van de overheid: die gaat over rechtvaardigheid.

Over het afdwingen van gelijke uitkomsten kan je lang discussiëren, bijvoorbeeld over hogere belastingen op vermogen en hoge inkomens. Politieke consensus zul je daarover niet snel vinden. Maar over de wenselijkheid van gelijke kansen is brede consensus, constateerden de economen van het Centraal Planbureau (CPB) deze week: van de SP tot de VVD.

Toch maakt het hier nog steeds veel uit in welk gezin je geboren wordt. Het maakt meer uit dan tien jaar geleden, en het maakt meer uit dan in landen als Zweden en Canada, constateert het CPB. Al op de basisschool is de kans op goed onderwijs voor een kind met rijke ouders aanzienlijk groter, schrijft het CPB. Bijvoorbeeld omdat leerlingen met dezelfde sociaal-economische achtergrond bij elkaar in de klas komen. Maar ook omdat het lerarentekort zich concentreert op scholen in kansarme buurten. Het CPB: „Juist de kinderen voor wie je zou hopen dat school de Great Equalizer is, hebben vaker lesuitval, les van minder ervaren of onbevoegde leerkrachten of les in grotere groepen.” Het CPB is niet de eerste die de vinger op deze zere Hollandse plek legt. In 2016 sloeg de Onderwijsinspectie al alarm. In december bleek dat een kwart van de 15-jarigen in 2018 niet goed kon lezen, in 2015 was dat een vijfde.

Bij economen als Thomas Piketty en Branko Milanovic, die wijzen op de groeiende ongelijkheid in het Westen, gaat vaak veel aandacht uit naar hun voorstellen voor hogere belastingen op vermogen. Maar beiden pleiten allereerst voor massieve investeringen in onderwijs. Op de vraag welke drie wensen hij zou willen vervullen zei Piketty vorige week in de Stadsschouwburg als eerste: onderwijsrechtvaardigheid. Want „onderwijs is de ware bron van economische welvaart.”

Oké. Dus de liberaal wil het, de socialist wil het, elke econoom wil het, met een passie die economen niet per se kenmerkt. Waarom maak ik me er dan toch zorgen over? Omdat het in een land dat vergrijst, knokken wordt om aandacht te houden voor de jeugd. De problemen van ouderen zijn zichtbaarder dan kinderen die kansen mislopen.

Ik maak me ook zorgen omdat het snot-voor-de-ogen hard werken wordt om dit recht te trekken. Je moet volgens het CPB groot denken. Bijvoorbeeld aan zeer goede peuterscholen, aan veel meer geld voor scholen in kansarme buurten, zodat de klassen kleiner zijn. En aan meer loon voor leraren op die scholen. De economen en arbeidsjuristen in de Commissie-Borstlap dachten ook groot. Geef elk kind bij geboorte een leerbudget dat voldoende is om de universiteit af te ronden. Wie korter leert, neemt de rest van het budget mee zijn leven in, om zich naar believen bij te scholen. Laat de Grote Gelijkmaker herrijzen.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.