Links draalt door – en rechts bereidt nieuwe hardheid over migratie voor

Deze week: bijna-campagnetijd met Rutte versus Hoekstra, een CU-flirt met FVD, halfhartige linkse samenwerking en de terugkeer van migratie als splijtzwam. Ofwel: de coalitie die verzwakt – en het politieke speelveld dat verrechtst.

Donderdag aan het einde van de middag wandelde ik binnen bij een Kamerlid van de ChristenUnie. We namen wat onderwerpen door, en kwamen op migratie.

Dat thema gaat nogal over de tong in de coalitie, en in deze bijna-campagnetijd, met veel onderling chagrijn, zetten partijen de zaak graag op scherp.

Wir schaffen das nicht: vooral in de VVD bestaat hierover geen gebrek aan stelligheid.

De humanitaire crisis op het Griekse Lesbos en de keuze van de Turkse president Erdogan om de grens met de EU open te gooien, herinneren aan de komst van Syrische vluchtelingen in 2015.

En de twee voornaamste leden van de VVD-top, Rutte en Dijkhoff, zaten destijds aan de knoppen.

Dijkhoff werd als staatssecretaris van Justitie gedwongen overal in het land noodopvang te organiseren. Rutte was in 2016 als premier betrokken bij de Turkije-deal.

Ze ervoeren hoe Wilders opstoomde in de peilingen, en pas op het laatste moment – twee maanden voor de verkiezingen van 2017 – begon in te zakken.

Dus in die kringen hebben ze hun keuze gemaakt.

Ze weten dat er de komende tijd opnieuw schrijnende beelden van kinderen in omloop komen. Ze weten dat er weer afschuwelijke verhalen verteld gaan worden over lange tochten, bootjes, barre omstandigheden en de nukkigheid van het welgestelde Westen.

Maar ze gaan niet nog eens, zoals in 2015, de agressie van eigen achterban over zich afroepen.

Het is nee. Het blijft nee. No. Non. Nein. Njet.

En hierover had ik het dus met die CU-politicus. Die begreep waar ik op hintte, en begon vervolgens te vertellen over een „lieve vriendin” die elke paar maanden naar Lesbos afreist om te proberen de humanitaire crisis daar een béétje te verzachten.

Deze twee werelden moeten nu, in deze fragiele coalitie, iets van een nationaal antwoord op de nieuwe migratiecrisis formuleren.

Ik voorspel niets – maar je hoeft geen professor in de politicologie te zijn om in te zien dit geen ideaal moment is om deze twee werelden over dit onderwerp bij elkaar te brengen.

En toen moest het opmerkelijke NRC-vraaggesprek met Wouter Beekers, directeur van het wetenschappelijk instituut van de CU, nog verschijnen.

Dat voorman Gert-Jan Segers vrijdag meteen afstand zou nemen van Beekers’ flirt met FVD en PVV, stond in de sterren. Misschien zou het ook helpen wanneer Beekers, die eerder actief was in de SP, en in 2010 als CDA-lid het openbare verzet tegen samenwerking met de PVV agendeerde, meer beduchtheid voor de eigen stelligheden zou weten op te brengen.

Aan de andere kant worden partijen nooit slechter van intern debat, al vermoed je dat Beekers’ invloed vooral buiten de CU merkbaar zal zijn.

Het netto-effect lijkt me dat hij het politieke speelveld symbolisch verder heeft verrechtst.

Voor Baudet is dit natuurlijk een cadeautje: voortdurend beschimpt, nu erkend door een opponent. De weerstand in het CDA tegen Brabantse samenwerking met FVD zal in die partij nu anders worden gewogen. En landelijk heeft de VVD vermoedelijk weinig behoefte aan samenwerking met Baudet, maar die partij zal er nu geen moeite meer mee hebben die mogelijkheid open te houden.

Het onderstreept een verschijnsel dat links liever overslaat maar dat elementair voor de huidige politiek is: nationalisme, vaak vertaald in weerzin tegen migratie en nadruk op (nationale) identiteit, blijft voor veel kiezers een dominant electoraal sentiment.

Eerder schetste ik op deze plek dat de pendule op grote beleidsthema’s (arbeidsmarkt, woningmarkt, klimaat, zorg, onderwijs) naar links beweegt. Meer overheidsingrijpen, minder vertrouwen in de markt. Maar zolang linkse politici geen manieren vinden om die onderwerpen eenzelfde gevoelswaarde te geven als nationalisme en migratie, is de kans klein dat links electoraal op rechts kan inbreken – nodig om de huidige verhoudingen te veranderen.

Ook merk je in deze bijna-campagnetijd dat partijen hun strategieën al doordacht hebben. Wat bijvoorbeeld opvalt: invloedrijke stemmen in de VVD willen er, net als in 2017, een campagne op rechts van maken – ‘willen we het land van Rutte of van Baudet zijn?’

Dat is natuurlijk een vertekening – we willen de laatste jaren een land van een partij of veertien zijn – maar in de televisiewerkelijkheid van de verkiezingscampagnes blijft de premiersvraag een onweerstaanbaar format.

Daarbij hoor je dat het CDA, vermoedelijk met Wopke Hoekstra als kandidaat-premier, de strijd met Rutte en Baudet ook op rechts wil voeren.

Om die reden merk je eveneens dat partijen in de binnenwereld nu erg gespitst zijn op de vaststelling van de Voorjaarsnota door Hoekstra, uiterlijk eind april.

Een voorlopige inventarisatie laat zien dat er claims liggen van/voor Defensie, Onderwijs, Justitie (ondermijning), stikstof en Urgenda. Er is een ruim overschot op de rekening, maar meevallers zijn er amper, zodat Hoekstra vermoedelijk de begrotingsregels moet overtreden om claims te honoreren.

Geen aantrekkelijk vooruitzicht voor een CDA-voorman die zich graag profileert als strenge minister van Financiën.

Coalitiebronnen verwachten uiterst gecompliceerde gesprekken.

„Rutte en Hoekstra claimen allebei dat ze de meest geschikte premier zijn”, smaalde er één. „Dat kunnen ze dan nu laten zien.”

Bij de strijd die zich op rechts aandient, lijkt de kans bovendien reëel dat de campagnelogica van 2017 zich herhaalt, toen het format Rutte versus Wilders veel aandacht voor het linkse alternatief wegnam – en links historisch zwak scoorde.

Dus op zich was het interessant dat partijleiders van GroenLinks, SP en PvdA dinsdag aankondigden dat ze volgend jaar samen de winstbelasting voor bedrijven willen verhogen naar 25 procent, zodat 2,4 miljard euro vrijkomt voor zaken als klimaat en onderwijs.

Het werd gebracht als mogelijk begin van meer linkse samenwerking. Alleen: als je voorbij alle grote woorden keek, zag je vooral een reparatie van gebrek aan linkse samenwerking het laatste halfjaar.

Het punt is namelijk dat GroenLinks, anders dan SP en PvdA, vorig najaar vóór een wet stemde die het percentage winstbelasting in 2021 op 21,7 procent bepaalde. Dit lag genuanceerd: GroenLinks stemde voor dat tarief, hoorde je op de fractie, omdat de winstbelasting in 2021 anders nog lager was uitgekomen.

Evengoed is het effect dat hetzelfde GroenLinks nu een wet wil aanpassen die de partij vorig jaar meehielp aangenomen te worden, terwijl SP en PvdA toen al tegen waren. Laat ik het zo zeggen: uit een oogpunt van linkse samenwerking was het effectiever geweest als de drie partijen toen al samen waren opgetrokken.

Zo is nu de stand van zaken in de politiek. Een zwakke coalitie: veel onderlinge ongemakken, weinig resultaten. Sommige partijen op rechts die over migratie al helemaal hebben uitgedacht wat ze (niet) willen, en die deze week onverwachte symbolische steun van een CU-prominent kregen.

En op links partijen die met grote woorden samenwerking aankondigen over een zaak waarover ze vier maanden terug nog verschillend stemden.

Nogmaals: ik voorspel niets. Maar als Rutte III snel zou vallen, is de ene flank nog aan het dralen over de onderlinge verhoudingen, en heeft de andere al redelijk paraat hoe partijen zich willen positioneren.