Opinie

Alweer een donderpreek tegen ‘zorgconsumenten’

Zihni Özdil

Als een bezetene wrijft de vrouw naast me in het vliegtuig het spul op haar handen. „Goe’ da’ je het zei! Kwas ’t al weer bijna vergeten”, zegt ze tegen haar vriendin. Die friemelt nog in haar kitscherige, glimmende tasje, op zoek naar haar desinfecterende handzeep. Ze hebben allebei hun eigen flesje. Zo denken ze het coronavirus te slim af te zijn.

Ik begin meteen met het schrijven van deze column. Omdat die twee vrouwen in het vliegtuig álles belichamen wat er mis is met Nederland. Die brave provinciale mentaliteit heeft er mede voor gezorgd dat onze zorg zo makkelijk kapot gemaakt werd. Niemand protesteerde immers. Daarom zitten we nu opgescheept met eigen risico’s en eigen bijdragen. Steeds meer mensen gaan daarom niet meer naar de dokter. Hoe gaan we als land het coronavirus te lijf als burgers zorg mijden omdat het te duur is voor hen is?

Maar we hebben de GGD, zou je denken. Nou, nee hoor. De GGD is onderbemand en overwerkt. Dankzij al die jaren van asociale bezuinigingen. Wat een schande. Wat een...

Terwijl ik dit allemaal opschrijf, gebeurt er iets vreemds. Mijn gedachten stoppen. Het is alsof ik uit mijn lichaam ga en mezelf van boven af observeer. Dat komt hard aan. Spijkerhard zelfs. Want ik zie een eenzame man die de veertig nadert, verwoed tikken op zijn laptop. Zijn volgende donderpreek tegen het neoliberalisme. Zijn volgende klaagzang over de linkse politiek die daaraan mee deed. Zijn volgende belerende vinger richting de dociele, saaie Nederlander die denkt dat handzeepjes de oplossing zijn. Net als die twee burgerlijke types naast hem.

De rest van de vlucht keuvelen de twee vrouwen over hun levens, hun gezinnen. Dat ze die toch erg hebben gemist, ook al waren ze maar een weekje weg. Ze zijn ook benieuwd hoe het zou gaan met de hond. En ze praten over hoe ontzettend fijn hun vakantie was.

Verrek, besef ik. Dat heb ik ook gehad. Een ontzettend fijne vakantie. Op datzelfde zonnige, warme, tropische eiland. Met een Finse vrouw die daar elk jaar de hele winter doorbrengt. Ik had haar daar vorig jaar leren kennen.

We hebben samen lange wandelingen gemaakt in de bergen, op prachtige zandstranden gelegen, genoten van de wijn en van het vrijen.

Tijdens een van onze romantische diners vorige week vertelde ze dat ze haar been had gebroken, op een hiking trip. Ze genas gelukkig snel. De Finse overheid stuurde zelfs een Finse arts naar het tropische eiland. Om haar even terug te halen.

Terwijl de huisgemaakte wijn van het kleine visrestaurant vloeide, begon ik over de Nederlandse zorg. Hoe wij, sinds we de zorgverzekering hebben geprivatiseerd, een eigen risico is. „Own risk”, vertaalde ik. Ze keek me met grote, verbaasde ogen aan. We hebben ook geen zieken meer, legde ik uit, maar ‘zorgconsumenten’. Het viel even stil. Ze herhaalde aarzelend mijn laatste woorden: „Healt care... consumers?”

Ik knikte. We keken elkaar diep in de ogen. En kwamen vervolgens niet meer bij van het lachen. De rest van de avond hebben we het gehad over Finse sauna’s en over welke tropische eilanden nog meer de moeite waard zijn.

Ondertussen landt mijn vliegtuig op Schiphol. Uit het raam zie ik Nederland weer. Donker. Koud. Nat. Kil. Dat brengt een leeg, ontworteld gevoel bij me op. Een bekend gevoel.

Terwijl we taxiën gaan de smartphones uit de vliegtuigstand. De twee brave, burgerlijke vrouwen naast mij bellen meteen met hun gezinnen. Het blijkt goed te gaan met de hond. Ze glimlachen allebei intens van geluk.

Ik gooi Twitter open om te kijken of ik nog iets heb gemist.

Zihni Özdil is historicus.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.