Olcay Gulsen: ‘Hard werken was de beste afleiding, maar het loste niks op’

TV-presentatrice Olcay Gulsen Olcay Gulsen maakte voor Net5 een deze week gestarte tv-serie over huiselijk geweld, waar ze zelf als kind ook mee te maken kreeg. „We waren gewoon aan alle kanten disfunctioneel.”

Olcay Gulsen temidden van haar zussen: „We hebben allemaal een tik aan onze jeugd overgehouden.”
Olcay Gulsen temidden van haar zussen: „We hebben allemaal een tik aan onze jeugd overgehouden.” Foto Talpa

‘Mijn oudste herinneringen gaan over geweld”, zegt tv-presentatrice en ondernemer Olcay Gulsen. „Ik kan me herinneren dat mijn vader mijn moeder sloeg. Ik kan me herinneren dat wij ertussen sprongen en dan ook klappen kregen. Ik kan me herinneren dat mijn zus haar arm brak. Dat ze haar voortand miste.”

Als geslaagde zakenvrouw en modekenner is Gulsen een bekende tv-verschijning, eerst bij RTL, nu bij Talpa. Woensdag begon op Net 5 haar eigen serie Olcay & huiselijk geweld. Jaarlijks zijn naar schatting 200.000 Nederlanders slachtoffer van ernstige of herhaalde mishandeling binnen het gezin. Nu zij andere vrouwen voor de camera naar hun ervaringen heeft gevraagd, voelt Gulsen zich verplicht haar eigen jeugd onder ogen te zien.

Gulsen heeft de uitstraling van een selfmade woman. Ze is van ver gekomen, zegt ze zelf. Haar jeugd werd overschaduwd door de schizofrenie van haar vader. Hij was verslaafd en hij mishandelde haar moeder. Gulsen: „Als mijn vader thuiskwam dan wist ik meteen hoe laat het was: hij had drank of drugs gebruikt, of hij had een psychose. Dat hoorde ik aan de manier waarop de deur openging. Als hij begon te schreeuwen, was er meteen paniek in het gezin. Dat is wat ik me het sterkst herinner. Niet zozeer wat er gebeurde, alswel het gevoel van onveiligheid en angst.”

„We waren extreem arm, het geld wat er binnenkwam ging voornamelijk naar zijn verslaving. Hij was ook gokverslaafd. Mijn vader was van de twaalf ambachten, dertien ongelukken: dan was hij weer behanger en werd hij weer ontslagen. Niet zo vreemd omdat hij schizofreen was, en hij kreeg geen medicatie. We waren gewoon aan alle kanten disfunctioneel. Mijn moeder deed echt haar best, ze zorgde dat we ons niet arm voelden. Ze kon van niks iets maken. Ze deed eerst de boodschappen en gaf de rest van het geld aan mijn vader.”

Ouderrol

Gulsen vluchtte vaak naar buiten. Op het speelterrein hoorde ze haar vader nog schreeuwen, dan probeerde ze haar vriendinnen te bewegen om een stuk verderop te gaan spelen. „Ik schaamde me voor mijn vader. Die sprak in zichzelf op straat tegen mensen die er niet waren, en werd boos op mensen die hij niet kende. Ik ging graag naar school, want dan was ik weg van het gezeik, maar ik had altijd de angst dat mijn vader mijn moeder zou vermoorden als ik weg was. Dus ik was wel rusteloos op school. In mijn jeugddossier stond dat ik de ouderrol had overgenomen. Ik waakte over mijn moeder, in plaats van andersom.”

Gulsen dacht lange tijd dat haar verhaal uniek was, dat mishandeling bij ‘normale’ gezinnen niet voorkwam: „We waren buitenlands en we waren arm en we hadden een gekke vader.” Dit idee hoorde ze terug toen ze een vroegere leraar weer opzocht voor haar programma. Hij zei: „Bij ons soort mensen gebeurde dat natuurlijk niet.” Gulsen: „Voor zijn en andermans veiligheid hebben we dat eruit geknipt. Want het is onzin. Het kan iedereen overkomen. Het heeft niets met je afkomst te maken, of met je intelligentie of je sociale klasse. Ik heb zoveel sterke vrouwen gesproken die toch jarenlang mishandeld zijn. De mishandelde vrouw heeft niet één gezicht, en de dader ook niet. Het kan in Waalwijk gebeuren, maar ook in Wassenaar.”

Ze beaamt wel dat mensen die met geweld opgroeien een grotere kans hebben op herhaling: „Dat ze zelf gewelddadig worden of een partner kiezen die dat is. Ik heb een afspraak gemaakt met mezelf dat ik daar waakzaam voor zou zijn. En dat is tot nu toe gelukt. Maar dat kan puur geluk zijn.”

Op haar veertiende verhuisde het gezin en veranderde de situatie. „We kwamen naast een ontzettend lief echtpaar te wonen, we noemden ze opa en oma, dat ons echt beschermde. Ze belden niet de politie, maar ze kwamen aan de deur als er geweld was om te vragen hoe het ging. Ik mocht komen spelen als het escaleerde. Daardoor voelde ik me veiliger. Buren kunnen dus een enorm verschil maken. Het geweld stopte niet, maar dat er iemand naar ons omkeek, verzachtte wel de pijn.”

Stewardess

Op haar zeventiende ging Gulsen uit huis om te studeren in Rotterdam. „Dat was de grote bevrijding. Nu begon mijn nieuwe leven. Ik wilde zo snel mogelijk van dat huis vandaan.” Haar vader zou ze jarenlang niet zien. Nadat hij zijn vrouw had neergestoken, werd hij gedwongen opgenomen. Gulsen: „Hij heeft mijn moeder in haar buik gestoken toen ze hoogzwanger was van mijn zusje Georgina. Het was een diepe snee met een zichtbaar litteken. Ik wilde niets meer met hem te maken hebben.”

Eerst werd ze stewardess bij Transavia. „Mijn moeder zag me het liefst als stewardess, dan heb je een uniform. De foto van mij als stewardess laat ze nog steeds zien als er familie komt. Ze was nooit zo trots op me als toen. Mijn televisiewerk vindt ze geen prestatie. Dat heeft nul aanzien.”

Op haar 21ste begon ze haar eerste bedrijfje en vanaf 2009 had ze haar eigen modemerk, SuperTrash, dat snel groot werd. Zo ontwierp het merk de 200.000 oranje jurkjes die biermerk Bavaria verspreidde tijdens het WK voetbal 2010. In maart 2018 ging SuperTrash failliet. Het bedrijf liet een schuld achter van elf miljoen euro. Daags daarvoor had Gulsen een boek gelanceerd: Super Olcay: Hoe je met lef van niets naar de top komt. Gulsen: „Ik ben een praatjesmaker. Ik bluf. En wil steeds laten weten: ‘Alles gaat goed, kijk nou eens wie ik ben!’ Dat is wel minder geworden. Ik hoef mezelf niet meer zo te bewijzen als superslimmerik. Dat faillissement was een grote nederlaag, daar heb ik veel van geleerd. Ik weet nu wat ik niet goed kan, ik denk niet dat ik een goede leider ben. Maar die waardevolle les heeft wel veel geld en ellende gekost.”

Lees ook over het failissement van SuperTrash: Gebluft en verloren

Hard werken hielp tegen de pijn, zegt ze. „Het was de beste afleiding. Maar het loste niets op. Ik heb vijftien jaar niet gehuild. Vijf jaar geleden liep ik vast. Ik heb geen hulp gezocht, ik ben gewoon door blijven werken. Eigenlijk had ik de stekker eruit moeten trekken, mijn relatie moeten verbreken; soms heb je een nulpunt nodig. Maar ik gunde mezelf de rust niet. Mijn depressie heeft twee jaar geduurd, best lang. Ik werkte, en als ik thuiskwam trok ik de deur dicht en ging ik de hele avond huilen. Met Unox-knakworsten als diner. Van die gore dunne.”

Daklozenopvang

In die tijd kreeg ze voor het eerst weer contact met haar vader. „Vijftien jaar had hij in Waalwijk in een gesloten instelling gezeten. Hij werd iedere dag op drank en drugs getest, hij was clean. Als hij zijn medicijnen niet nam, mocht hij niet naar buiten. Maar door een verandering in de zorgwet is hij van de ene op de andere dag op straat gezet en toen is hij weer afgegleden. Hij kwam in de daklozenopvang, daar is hij aan de heroïne verslaafd geraakt.” Gulsen sprak met haar zussen af om hem te helpen. Ze brengen hem eten, ruimen zijn kamer op. „Hij zit in een inrichting maar krijgt geen medicijnen. Als je zoals hij een duaal ziektebeeld hebt – geestelijk niet in orde én verslaafd – val je overal buiten. Gezondheidszorg in Nederland is dan best wel armoedig.”

Het hernieuwde contact hielp Gulsen bij de verwerking van haar verleden. „Als je in de dertig bent, ga je er anders naar kijken. Dat is onderdeel van volwassen worden. Mijn vader heeft wanen, hij dacht dat hij een PKK-strijder was. Vorige week was hij ervan overtuigd dat hij het uitverkoren kind van Jezus Christus was – wel moeilijk om een gesprek mee te voeren. Ik kan hem geen vragen stellen die mij verder brengen, maar ik heb wel een soort emotionele verstandhouding met hem gekregen. Ik ben hem gaan zien als een mens, als een zwaar getekend, gebrandmerkt mens. Hij heeft verschrikkelijke dingen gedaan maar hij is geen verschrikkelijk mens. Hij is een ziek mens die ook helemaal alleen is op deze wereld.”

Volgens Gulsen is haar vader als kind aan zijn lot overgelaten. „Hij was veertien toen hij in Nederland kwam wonen, uit een klein dorpje in Turks Koerdistan. Hij werd uitgehuwelijkt aan mijn moeder, die ook zo jong was. Ze waren zelf nog kinderen toen ze kinderen kregen. Dat was al geen goed idee. Rond zijn zeventiende werd hij extreem gewelddadig. Dat werd versterkt door drugs en drank. Niemand greep in, hij kreeg niet de medische hulp die hij nodig had. Mijn oma was schizofreen en haar moeder ook, dus het zit in de familie. Maar er werd niet over gesproken. Volgens zijn ouders had hij geen hulp nodig.”

Haar moeder wil niets meer met haar man te maken hebben. „Ze doet de was voor hem, maar die geeft ze aan ons mee. Zij zegt: ‘Dat doe ik alleen maar voor jullie, want ik haat die man’. Sommige mensen vinden het moeilijk om te vergeven, en dat respecteer ik.” Gulsen heeft zich wel afgevraagd waarom haar moeder niet is weggelopen. „Ze zegt dat ze niet durfde te scheiden, uit angst voor de oordelen uit de omgeving. Dat kan ik me niet voorstellen; als je zo zwaar mishandeld wordt… Ik heb onderschat hoe verstijfd van angst zij leefde, jarenlang, dan kun je niet normaal nadenken. Het helpt niet als je de taal slecht spreekt. Je bent in een onbekend land, je leeft geïsoleerd. Ik kan wel bedenken waarom het moeilijk is om weg te gaan.”

Getekende vrouw

In uiterlijk lijkt Gulsen op haar moeder, zegt ze, maar innerlijk niet. „Zij is de rots in ons gezin, zij heeft ervoor gezorgd dat wij in al die onveiligheid nog redelijk zijn opgegroeid. Ze heeft ons veel liefde gegeven. Maar ze is niet zo levenslustig of avontuurlijk. Zij is in een kleine wereld opgegroeid en dat vind ik wel jammer. Ik heb het idee dat de wereld aan haar voorbij is gegaan. Zij is nog steeds een getekende vrouw, ik hoop zo dat zij het tweede deel van haar leven gaat invullen zoals ze dat zelf graag wil.”

Gulsen herkent zichzelf meer in haar vader: „Hij is een snelle denker, impulsief, kan snel knopen doorhakken. Vroeger was hij heel sociaal. Hij sprak veel talen, ging naar het park, had veel buitenlandse vrienden.” Dat ze opgroeide temidden van geweld heeft haar getekend, maar ook kracht gegeven. „Het gaf me bewijsdrang, geworteld in een minderwaardigheidscomplex. Ik wilde laten zien dat ik met zo’n achtergrond toch de top kon bereiken. Waar je vandaan komt, is niet bepalend voor waar je naartoe gaat.”

Heeft het geweld thuis haar verhouding met mannen beïnvloed? Gulsen: „Mijn zusje wantrouwt mannen, maar ik niet. Mijn eerste vriendje was een vreemdganger, dus op zich was er wel reden om hem te wantrouwen. Omdat ik zo getraumatiseerd ben door dat geweld, ben ik van het harmoniemodel. Ik zou niet snel daten met een man die een kort lontje heeft. Ik heb wel het idee dat ik daar een sixth sense voor heb.”

Voor haar programma sprak ze voor het eerst uitgebreid met haar vier zusters over hun jeugd: „We gaan er allemaal op onze eigen manier mee om. Ik ben wat harder en mijn oudste zus veel gevoeliger. Wel hebben we allemaal een tik aan onze jeugd overgehouden. Zo’n tv-programma werkt gek genoeg therapeutisch. Ik ontdekte: o ja, ik zit best redelijk in elkaar, ik ben geen patiënt, ik heb het verwerkt. Misschien heb ik sommige dingen verdrongen, maar dat is oké. Sommige dingen slapen rustig in een kamer waar niemand bij hoeft.”