Reportage

Vluchtelingen in kamp op Lesbos: ‘Wáár is jullie menselijkheid?’

Lesbos Veel vluchtelingen die nu naar Europa willen, zijn Afghaans. Ze zijn niet veilig in hun thuisland maar worden ook verjaagd uit Iran en Pakistan, vertellen ze in vluchtelingenkamp Moria op Lesbos.

Foto Joris van Gennip

Vroeger, in Iran, was Saeedeh Rajabi altijd jaloers op de Iraanse kinderen in de straat. „Ik wilde hún leven”, zegt de veertienjarige Afghaanse. Ze zit op de stenen heuvels van vluchtelingenkamp Moria. Ze woont er nu een half jaar, met haar moeder, broers en zus. Vroeger was dit een olijfgaard. Nu is het voor de één een plek waar wordt gegeten en geslapen, voor de ander een vuilnisbelt met tenten.

„De Iraanse kinderen liepen ’s ochtends met hun rugzakjes op naar school. De Afghanen bleven achter. Ik ben drie keer naar de schoolleiding gegaan. Ik smeekte, huilde. Alsjeblieft, laat óns ook naar school gaan. Ben ik te min, vroeg ik. Ben ik geen mens?” Een mens ja, maar wel een Afghaan, kreeg ze te horen.

Sinds de Turkse president Erdogan vorige week de grenzen van zijn land opengooide, is de vluchtelingencrisis een nieuwe fase ingegaan. Duizenden asielzoekers staan aan de poorten van Europa. In Moria, op Lesbos, zitten nu 21.000 vluchtelingen waar plek is voor drieduizend. „Dit jaar zien we vooral veel Afghanen deze kant opkomen”, zegt Boris Cheshirkov, de woordvoerder van de vluchtelingentak van de VN, UNHCR, op het kantoor op Lesbos.

Saeedeh Rajabi (14), die onherkenbaar wil blijven. Ze woonde jarenlang in Iran, dat volgens de Internationale Organisatie voor Migratie sinds 2019 meer dan een kwart miljoen Afghanen heeft gedeporteerd.

Yahya Ibrahimi (16)

Saeedeh Rajabi woonde net als vier miljoen andere Afghanen bijna heel haar leven in Iran. De meesten hebben niet zomaar recht op onderwijs en medische zorg. Wel als ze er veel geld voor neerleggen. Rajabi – kastanjebruine ogen, sluik haar – werd net als haar zus en moeder naaister. Vanaf haar negende werkte ze voor een Iraans bedrijf. „We moesten van alles maken: mantels, broeken, T-shirts.” Een buurvrouw in haar woonplaats Shahrekord, in het westen van Iran, riep alle Afghaanse kindjes een paar keer per week bijeen. Met z’n vijftigen in een kamer leerden ze het alfabet. „Ik oefende op verkeersborden en winkelruiten.”

Sinds de VS in 2018 strengere sancties instelden tegen Iran, verkeert het land in een economische crisis waar veel Afghanen de dupe van zijn. Stoffen werden duurder, en Rajabi en haar moeder kregen minder opdrachten. „Ineens zaten we drie weken zonder werk.” Veel Afghanen werkten in de bouw, ze maakten ziekenhuizen waar ze zelf niet in mochten worden behandeld, vertelt ze. Ook díé projecten kwamen stil te liggen. Voedsel werd duurder. Iraniërs kwamen zelf niet rond, zegt Rajabi.

Om haar heen zag ze de laatste jaren de werkloosheid en verslaving toenemen – én de haat tegen Afghanen. De goedkope arbeiders waren nu een last. De Iraanse regering begon Afghanen van straat te plukken en bij het grensgebied uit de bus te zetten. Sinds 2019 zijn meer dan een kwart miljoen Afghanen gedeporteerd uit Iran, blijkt uit cijfers van de Internationale Organisatie voor Migratie. Veel meisjes hebben hulpverleners aan de grens verteld seksueel te zijn misbruikt door de Iraanse autoriteiten, aldus een ambtenaar van het Afghaanse ministerie van Vluchtelingen en Repatriëring tegen Foreign Policy. „Op straat werd ik voor vieze Afghaan en voor hoer uitgescholden”, zegt Rajabi. Haar ogen schieten vol.

Veertig jaar conflict

„Al veertig jaar is er conflict in Afghanistan, we hopen nu op vrede. Maar afgelopen jaar was een van de meest gewelddadige voor veel Afghanen”, zegt Boris Cheshirkov. In 2019 vielen bij aanslagen 3.400 doden. Via het vasteland en de zee proberen Afghaanse asielzoekers vanuit Turkije naar Griekenland te vluchten. Velen hebben eerst decennialang in Iran of Pakistan gewoond, of in Turkije. Maar ze voelen zich in deze landen niet meer gewenst.

De hechte Griekse gemeenschap van eilandbewoners op Lesbos liet afgelopen week, soms met geweld, weten geen „illegale immigranten” meer te accepteren. Er zijn asielzoekers die onderweg zijn opgepakt en zelfs beschoten door de Griekse autoriteiten.

Lees ook: ‘De grenzen zijn dicht’, roepen de Grieken

„Toen onze oom ons wilde uithuwelijken aan zijn zoons, onze neven ja, zijn we naar Turkije gevlucht.”

Volgens Cheshirkov worden de vluchtelingen ‘migranten’ genoemd. Een term die impliceert dat zij geen recht zouden hebben op asiel en alleen om economische redenen naar Europa willen. Maar dat klopt niet volgens hem. „Tot nu toe verleende Griekenland in ruim 70 procent van de gevallen asiel aan de Afghanen.” Bij Syrische vluchtelingen lag dit nog een stuk hoger. In EU-staten als Nederland en Duitsland is de kans dat Afghaanse asielverzoeken worden ingewilligd echter minder dan 50 procent.

Er zijn 170.000 Afghanen in Turkije geregistreerd bij UNHCR. Lang niet alle Afghanen laten zich echter registreren. Daarnaast zijn er vorig jaar 200.000 irreguliere Afghaanse migranten aangehouden in Turkije, dat vier miljoen vluchtelingen opvangt. De stemming rondom de vluchtelingen is er omgeslagen, in 2019 deporteerde het land 65.000 Afghanen.

„Wij hebben het daar twee jaar geprobeerd”, zegt Maryam Qadari (18) in de tent, naast haar tweelingzus die Maria heet. „Maria in Moria”, zeggen ze lachend. In de hoek van de container ligt hun vader – dun als een lucifer – te kreunen van de pijn. Longkanker. „Geen arts in Afghanistan kon hem behandelen. Mijn moeder nam hem mee naar het ziekenhuis in Pakistan.” Nu hadden de zusjes tijdelijk én geen vader én geen moeder. Wel een strenge oom. „We mochten niet meer naar school, want meisjes horen binnen het huishouden te doen. Toen onze oom ons wilde uithuwelijken aan zijn zoons, onze neven ja, zijn we naar Turkije gevlucht.” Weer geen papieren, wéér niet naar school.

Maryam Qadery (18, hierboven) verbleef eerst twee jaar in Istanbul. Ze werkte er in een naaifabriek, elf uur per dag, zes dagen per week. Haar vader, ook in Moria, is ernstig ziek – longkanker. Foto Joris van Gennip

Maryam ging werken in een naaifabriek in Istanbul, zes dagen per week, elf uur per dag. Ze wilde meebetalen aan de medische kosten van haar vader. „Eén keer zeiden ze: ‘Sorry, deze maand hebben we niet genoeg geld.’” In plaats van 1.800 Turkse lire (266 euro) kreeg ze 800 lire (118 euro). „Ik was zó kwaad. Mijn baas wist dat ik niet naar de politie kon gaan.”

Ze haalt een plastic map met documenten tevoorschijn. Hun zieke vader werkte als bewaker voor de VN. Er zit een certificaat in van een tweedaagse training in Kabul, juli 2011. Nog een van de VN-afdeling ‘safety and security’, voor het behalen van een training in 2008. Mensen die voor ‘de buitenlanders’ hadden gewerkt, bleven altijd in het vizier van de Taliban.

De zusjes, die al vier jaar niet naar school zijn geweest, willen arts worden. Maryam: „Als je in een land zonder artsen opgroeit, wil je dat vanzelf.” Ze pakt een brief van de Griekse autoriteiten die aankondigt wanneer ze hun asielgesprek zullen hebben: ‘Datum van interview: 1 juni 2021.’ Ze moeten dus nog ruim een jaar wachten.

Terwijl de tweelingzusjes voor de tent worden gefotografeerd, komt hun vader een stukje overeind. „Weet u wat het is? Ik ben binnenkort toch dood, mij maakt het leven niet meer zoveel uit. Maar die meisjes, hun toekomst…”

Lees ook: ‘Ook de Grieken kunnen de grenzen openen’

Volgens Cheshirkov van UNHCR zijn de Griekse autoriteiten zwaar overbelast. „Ze lopen achter met het verwerken van 90.000 asiel-aanvragen.” Human Rights Watch schat dat in Griekenland 1.750 vluchtelingenkinderen alleen verblijven. Een groot deel van hen is Afghaans, zegt Cheshirkov. „De verantwoordelijkheid voor de taken van de Grieken moet beter worden verdeeld onder de EU-lidstaten.”

Buiten hoort een oudere Afghaanse man dat er een Nederlandse journalist in het kamp is. Hij zegt eerst vriendelijk gedag, maar kan zich niet lang inhouden: „Hoe kunnen jullie in Europa accepteren wat hier met ons gebeurt? Veilig in jullie huizen kijken jullie oorlogsfilms terwijl ons leven al veertig jaar lang een oorlogsfilm is, met hulp van jullie leiders! Kijk hoe wij hier leven. Jullie praten steeds over mensenrechten maar wáár is jullie menselijkheid?”

Als een nieuwe groep vluchtelingen Moria binnenrijdt, horen ze van andere bewoners: ‘Welkom in de hel.’ Een man staat in de rij voor de douche met een handdoek om zijn nek, maar het water is op. Hoe langer mensen hier blijven, hoe slechter het met ze gaat, zeggen hulpverleners.

Kinderen durven na acht uur ’s avonds niet meer naar de wc. Veel minderjarige jongens drinken ’s avonds alcohol. Een medische hulpverlener vertelt dat er op een avond in het kamp zestien mesaanvallen plaatsvonden. Op foto’s zien we jonge tieners die zich snijden, zichzelf branden. Bewoners trekken broeken en mouwen van kinderen omhoog: schurft. Ze klagen over dieven die ze hier Ali Baba noemen. De 25-jarige Najeem Jan Khoja, die hier nu drie maanden is, heeft twee stokken achter de rits van zijn tent liggen. „Je weet nooit wanneer Ali Baba opduikt.”

Een jongen in kamp Moria die zichzelf heeft verminkt. Foto verkregen door een medisch hulpverlener uit het kamp.

Exodus uit Pakistan

Ook in Pakistan hebben zich de laatste decennia veel Afghanen gevestigd. Officieel wonen er ruim 1,4 miljoen, mogelijk nog eens een miljoen zonder papieren. Ook als ze die wel hebben, kunnen ze niet overal huizen, auto’s of zelfs simkaarten kopen. In 2016 zijn zo’n 365.000 Afghanen Pakistan uitgezet, blijkt uit een rapport van Human Rights Watch. De organisatie is al jaren bezorgd over de gedwongen exodus van Afghanen uit Pakistan. De groep lijdt onder het geweld van de autoriteiten.

Jan Khoja woonde als kind al in Pakistan, ging naar de basisschool. „Als ik Pashtoe sprak, hoorden ze aan mijn accent dat ik Afghaans was. Als de Pakistanen g zeiden, hoorde je uit mijn mond sh.” Hij zegt in zijn leven „honderden keren”, op straat te zijn aangehouden. „Ze doorzochten mijn zakken, duwden er hasj in en namen mij mee naar het bureau waar ik moest betalen.” Op het politiebureau werd hij dan in elkaar geslagen met de achterkant van een geweer. „Het was nooit mijn plan daar te blijven. Ik dacht altijd: dit is toch tijdelijk. Uiteindelijk gaan we terug naar Afghanistan.”

Najeem Jan Khoja (25)
Ali (27)