‘Ik wil op geen enkele manier in een hoek gedrukt worden’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week: Lemmia Laaroussi (43) uit Veghel.

Foto Aziz Kawak

‘Ons gezin bestond uit vader, moeder, vijf kinderen en Jan. Jan draaide de kantine bij Campina Melkunie, waar mijn vader meer dan dertig jaar heeft gewerkt. Zolang ik me kan herinneren heeft Jan bij ons ingewoond. Hij was als een opa, of een tweede vader. Door Jan was mijn start in het leven anders dan je zou verwachten in een traditioneel Marokkaans gezin. Mijn ouders stimuleerden dat wij zouden doorleren, maar Jan zat er extra bovenop. Hij had de oorlog meegemaakt. Laat je niet klein maken, zei hij, laat je niet wegzetten. Zorg dat je iets bereikt. Jan verwende ons enorm, mijn rijbewijs heb ik van hem gekregen. Mijn ouders zijn moslim. Daar had hij respect voor. Hij at mee, deed niks wat niet kon binnen de islam. Maar hij was ook rebels, tegendraads. Met humor. Als ik wou gaan stappen – niet echt normaal voor een Marokkaans meisje – verzon hij een smoes voor mij. Of hij zorgde ervoor dat hij me op kon halen.

„Wij werden opgevoed met de Marokkaanse en islamitische normen en waarden. Vooral mijn moeder was daar streng in. Een Marokkaans meisje moet kunnen poetsen, koken, onberispelijk van gedrag zijn, maagd zijn in het huwelijk. Ik was rebels. ‘Je mag niet uitgaan.’ Waarom niet? ‘Je moet wel met een moslim thuiskomen.’ Waarom? Ik ben uit huis gegaan en op mezelf gaan wonen. Dat was voor mijn ouders een verrassing. Ik wist wat de impact zou zijn op mijn reputatie, maar ik had een enorme behoefte om vrij te zijn van alle verwachtingen, mezelf te ontdekken. Ik was ook de eerste die met een Nederlander thuiskwam. Dat was not done – of hij moest moslim worden. Ik zei: hij kan ook van mij eisen dat ik katholiek word. ‘Nee, dat kan niet.’ Hij en ik hadden verkering op zijn Hollands.

„Na lange tijd is hij naar mijn vader gestapt. Niet om hem om de hand van zijn dochter te vragen – wat mijn moeder wel had gewild – maar om te zeggen dat hij graag met mij om wilde gaan. Drie van ons zijn uiteindelijk met Nederlanders getrouwd. Geloof maar dat er geroddeld is, dat mijn moeder over de tong is gegaan. Maar uiteindelijk hebben mijn ouders ons altijd omarmd.

„Ik kijk om me heen en ik denk, met alle verwondering die ik erbij heb: ik pas hier niet. Ik wil op geen enkele manier in een hoek gedrukt worden. Dat accepteer ik van niemand.”

‘Na een heftige periode in relatie en werk ben ik zoekend. Ik schrijf verhalen en gedichten om alles te ervaren en te verwerken, om dicht bij mezelf te blijven. Wat bén ik nou? En móét ik iets zijn? Ik voel me niet volledig Marokkaans en niet volledig Nederlands. Ik zeg vaak: ik hoor nergens bij, ik pas nergens in. In de grote steden ben je meer opgenomen in een Marokkaanse gemeenschap dan waar ik woon. Bij familie en kennissen in de Randstad zag ik meisjes in een rol schieten. Ze studeerden niet verder, trouwden vroeg, kwamen thuis te zitten met een kind. Ik voelde me daar altijd een vreemde eend in de bijt.

„De islam heb ik als puber afgeserveerd als iets negatiefs. Ik zie nu in dat het mensen ook veel biedt. Mijn zus leeft volgens de islamitische regels. Een meisje dat ik volg op Instagram, vol in de Nederlandse maatschappij, draagt ineens een hoofddoek. Dan denk ik: o, wow. Ik snap de roep om dat te doen, noem het de roep van Allah. Ik heb haar benaderd: waarom nu? Ze reageerde: ik was er klaar voor. Ik kan alleen maar met bewondering naar haar kijken. Zij durft het, ik ga het eerst doodanalyseren. Ben ik niet te recalcitrant, te westers? Als ik die keuze maak, pas ik weer in verwachtingen, zal ik me weer moeten verantwoorden. Het is een moslimgevoel dat er wel is, maar dat zich nog laat tegenhouden.

„Om te weten waar ik het over heb, ben ik me meer gaan verdiepen in de Koran. Dat is denk ik ook wel getriggerd door de splitsing in de samenleving. De tolerantie was vroeger veel groter, we hoorden erbij. Nu word je gevraagd wat je afkomst is. Ja, Marokkaans. O, dat zie je helemaal niet! Ik vind dat zó’n rare opmerking. Nee zeg ik dan, ik heb mijn tajine-muts niet op vandaag. Een lieve collega, ik ken haar al heel lang, echt een scheet, zei laatst: ‘Daar heb je onze twee Marokkaantjes’ – over mij en een andere collega. Ik wist niet eens dat hij Marokkaans was! We gingen er met humor op in, ik heb geen lange tenen. Maar ik kan me voorstellen dat mensen er pijn van ondervinden. Mijn broer had vroeger twee Indonesische vriendjes die wij pinda’s noemden. Dat moet je nu echt niet meer doen. Je moet durven óm te denken en in de schoenen van een ander te staan. De tijden veranderen, daar moet je in mee.”