Nederland telt steeds meer flexitariërs, en toch eten we meer vlees. Hoe komt dat?

Vleeseters Ooit was een flexitariër een vegetariër die af en toe vlees at. Nu is het een vleeseter die het vlees soms laat staan, blijkt uit onderzoek. „We leven nog steeds in een carnivore eetcultuur.”

Foto NRC

Steeds meer mensen noemen zich flexitariër, het aanbod van vleesvervangers in de supermarkt groeit – en toch eten Nederlanders eerder meer dan minder vlees. Hoe valt dat te rijmen?

Zo’n tien jaar geleden begon Hans Dagevos een onderzoek naar vleesconsumptie voor Wageningen Economic Research. Het was opwindend pionierswerk, er verschoof iets in de samenleving. Overal hoorde je over minder vlees eten. De ‘flexitariër’ was in opkomst.

Als die trend zou doorzetten, als steeds meer mensen iets minder vlees zouden eten, zou dat een flinke daling van de vleesconsumptie kunnen betekenen. Dat zou op het totaal meer verschil maken dan wat vegetariërs, met 4 procent van de bevolking een bescheiden clubje, konden veranderen door helemaal geen vlees te eten. Dacht hij toen.

Lees ook Supermarktklanten over hun vleesgedrag: ‘Wie hard werkt grijpt niet naar rauwe wortel’

Maart 2020, vlak voor de Week Zonder Vlees-campagne. Dagevos licht in Wageningen met collega Muriel Verain hun nog altijd lopende onderzoek toe. Ze kijken naar de jaren tien en vragen zich af: wie zijn die zelfbenoemde flexitariërs nou eigenlijk? Eten ze wel minder vlees dan mensen die zich vleeseter noemen? En als ze geen vlees eten, wat dan wel? Dagevos moet constateren: „De praktijk is weerbarstig en supertraag. Zo schiet het niet op met het flexitarisme.”

Vegetariër light

De flexitarian dook in 1998 voor het eerst op in de Engelse taal en werd in 2003 het woord van het jaar. Dat liet zien: er was een groeiende groep mensen die in principe vegetarisch at maar soms een uitzondering maakte voor een stukje vlees of vis. De flexitariër was een soort vegetariër light.

Niet zo gek dus dat in 2011, toen Dagevos en zijn collega’s het voor het eerst vroegen, niet meer dan 14 procent van de Nederlandse respondenten zich flexitariër noemde – dat waren de mensen die er serieus over hadden nagedacht, die diep in hun hart vegetariër waren. Het kwam er niet altijd van, maar de intentie was er.

In 2019, zo blijkt na ondervraging van bijna tweeduizend vleeseters, is de groep die zich afficheert als flexitariër drie keer zo groot (43 procent). Meer mannen noemen zich tegenwoordig flexitariër, en ze wonen overal in Nederland, maar een meerderheid van zelfbenoemde flexitariërs voldoet aan het clichébeeld: vrouw, gemiddeld net onder de vijftig jaar, wat vaker hoog of middelbaar opgeleid, veelal wonend in een stad in het westen van het land.

Maar de flexitariër van 2019 is niet meer de flexitariër van 2011. Als je kijkt naar hun gedrag, verschillen ze nauwelijks van de mensen die zichzelf dat imago niet aanmeten, die zichzelf als vleeseter zien. Het aandeel flexitariërs dat hooguit eens per week vlees bij de warme maaltijd eet is danig geslonken sinds 2011. De groepen flexitariërs die drie keer of vaker vlees eten zijn juist gegroeid. Er is zelfs een klein maar groeiend groepje dat zich flexitariër noemt en toch elke dag van de week vlees eet. „De term is ingeburgerd, maar blijkt aan inflatie onderhevig”, zegt Dagevos. „Hoe meer mensen zich met deze levensstijl identificeren, hoe meer de invulling verwatert.”

Wie zich er vroeger weleens een dagje vanaf maakte met een omeletje of een kaassoufflé, noemde zich geen flexitariër en deed dat ook niet voor het milieu of tegen dierenleed. Inmiddels mag zelfs de ferventste vleeseter zich het predikaat toe-eigenen en denken zijn steentje bij te dragen – zonder per saldo ook maar een grammetje in te leveren. „Het flexitarisme is vrijblijvend geworden. Op deze manier gaat het weinig impact hebben.”

Kijkend naar gedrag blijft er van het cliché van de hoogopgeleide randstedelijke vrouwelijke flexitariër bovendien weinig over. Dagevos: „Het idee is dat mensen in het oosten stug doorgaan met vlees eten terwijl in de Randstad allemaal vrouwen bij vegetarische restaurantjes eten. In werkelijkheid zijn de demografische en regionale verschillen in vleesconsumptie minimaal.”

Dat bleek eerder al uit de Voedselconsumptiepeiling van gezondheidsinstituut RIVM: west en noord zitten iets onder het gemiddelde, zuid en oost iets erboven, maar geen enkele regio zit meer dan 5 gram van het gemiddelde van 98 gram per dag. Overal, ook in de grote steden, eten Nederlanders flink meer dan de maximaal 70 gram die de Gezondheidsraad adviseert. Van de Wageningse respondenten gaf een klein clubje ‘meatlovers’ van 4,2 procent aan eerder meer dan minder vlees te willen eten.

Bietenburger

Toen in september bleek dat Nederlanders in 2018 meer vlees hadden gegeten dan in de paar jaar ervoor, zocht Dagevos ook al naar verklaringen. „Mensen hebben waarschijnlijk de neiging hun dagje zonder vlees te compenseren.” De ene dag braaf aan de bietenburger, de volgende dag weer los op de barbecue.

Wie ervoor kiest om vegetarisch te eten, beperkt zichzelf – je kunt hooguit discussiëren over de vraag of je wel of geen vis mag eten. Flexitarisme geeft alle ruimte, doe ermee wat je wil. „Dat leek in het begin een mooie middenweg om grote groepen te bereiken”, zegt Dagevos. „Dat is het nog steeds, maar je kunt je afvragen wat er in Nederland mee bereikt is.”

De urgentie is in tien jaar alleen maar duidelijker geworden, zegt Dagevos. Niet alleen de Gezondheidsraad adviseert vlees te minderen, ook klimaatwetenschappers spraken de afgelopen jaren een breed publiek aan met hun waarschuwing dat de planeet zal bezwijken als de groeiende wereldbevolking zoveel vlees en andere dierlijke producten blijft eten.

Favoriete
vleesvervangers van vegetariërs

Foto Merlin Daleman
Favoriete vleesvervangers van flexitariërs
Foto Merlin Daleman
Favoriete
vleesvervangers van vegetariërs (links) en flexitariërs

Foto’s Merlin Daleman

Maar alle dierlijke producten van tafel, dat is voor de Nederlandse flexitariër nog een brug te ver, blijkt uit de Wageningse peiling. Als vegetariërs een ranglijst van favoriete eiwitproducten maken, staan champignons, cashewnoten en de vegetarische burger bovenaan. Bij ‘heavy’ flexitariërs, mensen die één of twee keer per week vlees eten, zijn dat eieren, kaas en champignons. De ‘light’ flexitariër – iets vaker man dan vrouw – onderscheidt zich in zijn voorkeuren nauwelijks van de vleesliefhebber. In hun beider topvijf staan kip, biefstuk en gehaktbal en dan eieren en kaas. „Vanuit milieuperspectief schiet je met kaas weinig op”, zegt Verain. Ook vis – flexitariërs zijn dol op zalm en lekkerbekjes – is niet veel duurzamer dan vlees.

De gemiddelde flexitarïer loopt niet warm voor peulvruchten en tofu en staat nog heel ver af van de plantaardige leefstijl die volgens wetenschappers de planeet zou moeten redden. Alleen strikte vegetariërs zijn duidelijk op zoek naar plantaardige alternatieven en waarderen deze ook meer.

Wat het misschien niet makkelijker maakt: Nederland kookt nog steeds vooral ‘driecomponentenmaaltijden’. Zowel vleeseters als flexitariërs en vegetariërs eten vaker een maaltijd met drie losse onderdelen dan een combinatiegerecht, zoals een ovenschotel of een eenpansgerecht. Als je de V van het AVG’tje (aardappel-vlees-groente) moet inruilen, blijkt een alternatief best lastig te zijn. „Veel mensen vervangen vlees dan helemaal niet”, zegt Verain. En anders wordt het meestal een vegaburger, terwijl die toch maar matig gewaardeerd wordt.

Dubbele moraal

Wel willen maar niet doen. Het is een bekend verschijnsel, dat zich ook voordoet bij voornemens als afval scheiden of minder vliegen. De meeste ondervraagde flexitariërs verwachten komend jaar wel minder vlees te eten, maar of het lukt, moet nog blijken.

Nudgen’, bijvoorbeeld door in kantines de vegetarische keuze makkelijker te maken, kan een beetje helpen, zegt Verain, „maar alleen op dat moment en op die plaats”.

Je kunt denken dat er door maar veel te nudgen een nieuwe norm ontstaat, maar mensen hanteren vaak een dubbele moraal, ziet Dagevos. ‘Als ik uit eten ga, mag ik vlees.’ Of: ‘als ik op m’n werk al zonder vlees heb geluncht, mag ik thuis best een gehaktbal.’ „We leven nog steeds in een carnivore eetcultuur. We zijn vleesverknocht. Zelfs een vleestaks gaat de consumptie niet veranderen als de samenleving niet wezenlijk anders over vlees gaat denken.”

Als er in tien jaar zo weinig is gebeurd, komt het er dan ooit nog van? Verain vindt het veelbelovend dat de normen beginnen te schuiven. Ook al eten flexitariërs nog veel vlees, ze zeggen dat ze het wel belangrijk vinden om te minderen – meestal voor hun gezondheid – en ze merken in hun omgeving ook dat vlees eten ter discussie staat. „Aan de energietransitie zie je dat mensen wel iets doen als ze zich verbonden voelen aan een doel”, zegt Verain. „Hoewel eenmalig beslissen om zonnepanelen te nemen in zekere zin makkelijker is dan elke dag opnieuw geen vlees eten. Dat moet echt een automatisme worden.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.