Recensie

Recensie Boeken

Een hond is welkomer dan een asielzoeker

Rodaan Al Galidi De ware rebel is een buitenstaander – maar is dat een vloek of een zegen? In een komische en schrijnende roman, het vervolg op de bestseller Hoe ik talent voor het leven kreeg, poogt een asielzoeker Nederland te begrijpen.

Illustratie Paul van der Steen

De ware rebel is een buitenstaander. Iemand die naar de gedragingen van de grote groep kijkt en dingen ziet die de door conformisme gelijkgetrokken groep allang niet meer opvallen. Zo’n opmerkingsgave bezit schrijver en dichter Rodaan Al Galidi, wat in zijn oeuvre niet zelden resulteert in confronterende en ook ontwapenend geestige vaststellingen.

Die observaties zijn het vlees op de botten van zijn nieuwe roman Holland. Wanneer hij de houding van de Nederlander tegenover de asielzoeker en die tegenover de toerist vergelijkt, vat hij samen: ‘Als je korte tijd bij de Nederlanders blijft, zullen zij zich aanpassen. Maar als je lang blijft, moet jij je aanpassen.’ Puntig en simpel, en waar. En ook uit het begin van de roman, over de opgeruimdheid van het landschap: ‘Een Nederlands dorp kun je niet vergelijken met een Iraaks dorp. Iets anders dan de eenzaamheid, die net als de Iraakse dorpshonden overal is, kan je in een Nederlands dorp niet bijten.’ Zulke aforismen zijn niet alleen gevat, ze hebben ook meteen een kartelig randje.

Holland is het vervolg op de terechte bestseller Hoe ik talent voor het leven kreeg (2016) en daarmee de tweede roman over de Irakese asielzoeker Semmier Kariem; ditmaal over zijn leven ná het asielzoekerscentrum. Natuurlijk: ‘de’ Nederlander bestaat niet. Dat weet Semmier, hoofdpersonage en verteller van de roman, ook wel. Daarom probeert hij, om te aarden in de samenleving, zo veel mogelijk Nederlanders te ontmoeten – de een nog prozaïscher genaamd dan de ander, van het echtpaar Connie en Bert tot Erwin van Houten, Cindy Nijman en Noëlle van den Brink. De roman zoomt eerder in dan uit: meer dan een confrontatie met het systeem is de roman een reeks ontmoetingen met mensen, met degenen die de samenleving, dat systeem, vormen. Je kunt de roman ook een geschiedenis van Semmiers huisvesting noemen: van schuurtje tot studentenhuis tot gettoflat. Tegelijk leren die ontmoetingen, en al die verschillende plekken, hem veel over zichzelf – iets wat in het azc nooit was gebeurd. Dat vat Al Galidi trouwens ook weer in een sprankelende zin: ‘Zulke vragen hadden niet eerder de weg naar mijn gedachten gevonden, maar de Nederlandse cultuur had er nu alle mogelijke wegen voor aangelegd: snelwegen, treinsporen, fietspaden, rivieren.’

Lees ook: ‘In Nederland leef ik, maar zonder mijn ziel’

Ja, dat laatste is wel degelijk een lofzang op het heerlijk gereguleerde Nederland waar hij, dankzij het generaal pardon, graag rondwandelt – hij is niet voor niets weg uit levensgevaarlijk Irak. Gezegend is het land dat rouwperiodes inlast voor overleden huisdieren! Dat is zijn primaire conclusie. Maar, ontdekt hij bij de aangezegde dood van een konijn: ‘Het waren haar kinderjaren die een spuitje zouden krijgen, niet het konijn.’ Semmier lacht er niet alleen om, hij verdiept zich ook. Hij engageert zich werkelijk met wie hij tegenover zich heeft.

Buitenstaanderspositie

Het verhaal van Holland mag dan vanuit een buitenstaanderspositie verteld worden, deze buitenstaander belandt dolgraag binnen. Bijvoorbeeld in het hart van Lidewij, de dochter van de vrouw die hem een schuurtje aanbiedt om in te wonen – Semmier wordt verliefd. En in de liefde telt de toekomst meer dan het verleden, dus blijft hij liever niet te lang hangen bij zijn jaren in het azc, zoals een sterke dialoog toont. Als hij zegt dat hij negen jaar, negen maanden, een week en drie dagen in het azc zat, reageert Lidewij doodkalm: ‘Nee, nee, even serieus.’ Waarop Semmier maar meteen zegt: ‘Negen maanden.’ Zij: ‘En al die tijd maar wachten? Dat is te lang.’ En, wil ze weten, hoeveel mensen woonden daar? ‘Vijfhonderdvijftig.’ ‘Wat? Even serieus.’ ‘Ik bedoel vijftig.’ ‘Vijftig. Jeetje. Met één persoon verlies je al de helft van je privacy, hoeveel blijft er over als je met vijftig mensen samenleeft?’

Lees ook: De recensie van de verhalenbundel Duizend-en-een nachtmerries

De kloof is er. Maar Semmier zeurt niet, hij zet alle zeilen bij om dichterbij te komen. Zowel bij Lidewij als bij Nederland. Dat is wat deze roman zo verteerbaar maakt, en tegelijk schrijnend: het is eerder een komische zedenschets over iemand die probeert te integreren dan een aanklacht tegen de onmogelijkheid daarvan, waardoor de klachten des te harder aankomen. Daarom is Holland ook méér dan een voorbeeld van de heropleving van de sociaal-realistische roman, op de manier van Wees onzichtbaar (2017) van Murat Isik, en is het een verdieping van Hoe ik talent kreeg voor het leven, dat meer een getuigenis was, die minder over de binnenwereld ging.

Die verschuiving is weerspiegeld in de stijl van Al Galidi – die op een verrassende manier verfijnd is. Semmier schrijft niet verhullend over zijn gevoelens, maar zet met zijn gevoel voor humor de pijn ook gauw op veilige afstand. Zoals wanneer een groepje asielzoekers samen in de tuin zoekt naar het konijn van de buurvrouw en er, met een vleug grunbergiaans absurdisme, staat: ‘Snoetje werd banger dan ooit toen hij zag dat het probleem van de Europese Unie nu achter hem aan rende.’ Maar de aforismen kunnen onverhoeds bijten, zoals wanneer hij in de put zit en over aanslagen in Irak hoort: ‘Terreur is de beste afleiding van de liefde.’ Zulke oneliners kun je effectbejag vinden, maar Al Galidi weet wél telkens leven in de zinnen te leggen. Je bent er als het ware getuige van dat Semmier een grap maakt van wat je ook pijnlijk zou kunnen vinden. Daarmee overtuigt hij volledig.

Zo zelfbewust is ook de structuur van het boek. Het toch tamelijk looiige middenstuk – weer nieuwe onderkomens en nieuwe ontmoetingen, weer ronddraaien in cirkeltjes – geeft precies weer hoe weinig vooruitgang er zit in het asielzoekersleven. Dat is deprimerend, en daarmee bij tijd en wijle een deprimerende, of, positiever gezegd, beklemmende leeservaring. Wéér laat iemand merken dat hij Semmiers Nederlands niet verstaat, weer wordt hij slechts bekeken als asielzoeker, weer wordt zijn woning een mini-azc’tje, omdat hij solidair is met de zijnen.

Denkbeeldige hond

Nota bene: dat staat er allemaal luchtig, verraderlijk luchtig. Dat geldt nog wel het meest voor twee sterke motieven die in de hele roman terugkeren: fotoalbums en honden.

Lees ook: ‘Ik heb van Nederlanders geleerd: houd het kort’

Fotoalbums verzamelt Semmier, afgedankte exemplaren van de mensen die hij ontmoet. Terwijl hij oude foto’s bestudeert ziet hij hun voorvaderen, hun geschiedenissen, hun karakters, en fantaseert zich op die manier werkelijk dicht bij hen. Of je dat iets moois moet vinden of juist treurig (in werkelijkheid mag hij dus niet dichtbij komen?), dicteert Al Galidi zijn lezers niet: des te prangender.

En de grote huisdierliefde maakt bij Semmier het besef los dat de route naar het hart van de Nederlander loopt via de hondenriem. Als hij door een park wandelt met een denkbeeldige hond en een ondenkbeeldige hondenriem, heeft hij al aanspraak. Een hond is in feite welkomer dan een asielzoeker. Wat voor gevoel je bij die vaststelling moet hebben, komisch of grimmig, mag de lezer van Holland zelf uitmaken.