Opinie

De rechtsstaat ter discussie? Graag!

Een vitale rechtsstaat is gebaat bij debat. Ook over de wenselijkheid van internationale verdragen, schrijft minister .
Foto Sem van der Wal/ANP

Urgenda, stikstof, SyRI, IS-kinderen... De rechter floot de overheid het afgelopen jaar een paar keer flink terug. Daardoor rees de vraag: gaat de rechter niet te veel op de stoel van de wetgever zitten? Of springen de rechters in gaten die de politiek laat vallen? Zowel de Eerste als de Tweede Kamer debatteert er volgende week over.

Het debat over onze rechtsstaat had de afgelopen maanden af en toe iets weg van een moddergevecht. Een kamp opereert ver buiten de lijnen van het speelveld van het debat door de integriteit van rechters aan te tasten en hen te beschuldigen van een machtsgreep. Een ander kamp maakt het speelveld onnodig klein door steeds te verwijzen naar ‘Poolse toestanden’ en daarmee het debat te smoren. Ook werd er gevreesd voor ondermijning van de rechtsstaat, door überhaupt over deze vragen te discussiëren.

Een vitale rechtsstaat is echter juist gebaat bij debat. Een rechtsstaat spreekt namelijk niet vanzelf. Uiteraard moet respect voor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van onze rechters het uitgangspunt zijn. We hebben hun uitspraken altijd te respecteren – ook als ze schuren. Maar daarmee is beslist niet alles gezegd.

Lees ook dit opiniestuk van Rob Jetten (D66): Wie rechters onder vuur neemt, vernietigt tegenmacht

Open normen behoeven inkleuring

In de eerste plaats moeten we het hebben over de kwaliteit en inhoud van onze wetten. Het kortste artikel in onze wetgeving luidt: ‘Inhalen geschiedt links.’ Een heldere norm die houvast biedt. Maar vaak zijn normen – bedoeld of onbedoeld – veel minder concreet. Denk aan de ‘zorgplichten’ die we in verschillende wetten tegenkomen. Dat maakt ook dat het werk van rechters niet zwart-wit is. Rechters interpreteren wetten en kleuren open normen in. Dat is hun dagelijks werk. Daarmee passen ze niet alleen regels toe, maar maken ze in feite ook nieuw recht. Dat verlangt de wetgever ook van hen. Tegelijkertijd staat het de wetgever vrij om wetten aan te passen als de toepassing of inkleuring daarvan niet overeenkomt met hoe de wetgever de wetten had bedoeld. Precies die wisselwerking moet onderwerp zijn van debat.

In de tweede plaats moet het gaan over de inrichting van ons rechtsbestel. De recente discussie over rechter en politiek gaat in feite over de verhouding tussen de staatsmachten in onze trias politica, de scheiding tussen de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Die verhouding is niet in steen gebeiteld. Natuurlijk, de basisprincipes zijn in de Grondwet vastgelegd, maar ook die kan worden veranderd. Zo beraadt het kabinet zich momenteel over de wenselijkheid van een Constitutioneel Hof, een instantie die wetten aan de Grondwet zou moeten toetsen. Dat vraagt aanpassing van het grondwettelijke toetsingsverbod (artikel 120).

Lees ook dit interview: ‘Internationale verdragen moeten en kúnnen socialer’

Of neem de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, waaruit volgt dat internationale verdragen in Nederland direct bindend zijn en boven nationale wetten gaan. Er zijn landen waarin dit anders is geregeld en internationale verdragen pas rechtskracht krijgen nadat ze in nationale wetten zijn verankerd. Er moet altijd ruimte zijn om met elkaar over de voor- en nadelen van verschillende systemen te discussiëren.

Debat over deze materiële doorwerking van het internationale recht in onze nationale rechtsorde is niet nieuw, maar de Urgendazaak heeft dit vraagstuk weer nadrukkelijk op de kaart gezet. Waar zetten we in internationaal verband precies onze handtekening onder? Hoe worden verdragen toegepast? En gaat dat nog zoals we het ooit hebben bedoeld? Zulke vragen moeten we onszelf indringender stellen. Een herbezinning op de wijsheid van sommige verdragen is niet verboden. Aanpassing van verdragen is lastig, maar niet onmogelijk. Opzeggen van verdragen gaat een forse stap verder, maar zelfs dat behoort tot de mogelijkheden.

Bespreek uitleg van verdragen

Het aanpassen of opzeggen van mensenrechtenverdragen is in mijn ogen niet aan de orde. Maar wel kunnen we beter gebruikmaken van de bestaande mechanismen om te spreken over de uitleg van die verdragen. Regeringen kunnen hun visie geven op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en daarbij concrete aanbevelingen doen. We zien dat internationale rechters hun jurisprudentie regelmatig mede op die aanbevelingen baseren. Ook is er op Nederlands initiatief sinds enkele jaren een periodieke gedachtewisseling tussen de lidstaten en de president van het Mensenrechtenhof – niet over individuele uitspraken van het Hof, maar wel over de algemene ontwikkelingen in de mensenrechtenjurisprudentie. En dat is een prima zaak.

Een open en eerlijk debat tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht zal de rechtsstaat versterken. Zoals ook een publiek debat over de werking van de trias politica het begrip ervan zal verdiepen en het vertrouwen erin zal doen toenemen. Natuurlijk zal zo’n debat soms scherp zijn. Maar dat is geen reden om het dan maar af te kappen. Onze rechtsstaat kan wel tegen een stootje.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.