Reportage

Volkssport met duiven maar zonder volk

Postduiven Ooit was het in Amsterdam een bloeiende tak van sport, het houden van postduiven. Maar de ‘duivenmelkers’ sterven letterlijk uit.

Arie van Dam met een van zijn postduiven.
Arie van Dam met een van zijn postduiven. Foto Dylan van Bekkum

Welke duiven die ochtend zijn verkozen tot mooiste van de vereniging lijkt niemand iets te boeien. Alle pakweg twintig duivenmelkers zijn te vinden in het kantinegedeelte van postduivenvereniging Insulindepost. Daar zijn vanaf een uur of één de eerste flesjes Heineken open gegaan, sommigen wagen zich al aan een cola-tic. Hier mag gerookt worden. En hier schallen de winnende nummertjes van het rad van avontuur door de ruimte, voorgelezen door een vrouw in glitterjurk: „149! WIE KENNE WE BLIJ MAKE?”, buldert er door de kantine. Een man aan de bar steekt zonder op te kijken zijn hand omhoog.

Dit is de enige overgebleven postduivententoonstelling van Amsterdam. Ze zijn vooral een goed excuus voor duivenmelkers om toch nog samen te komen; essentie van de duivensport zijn toch de wedvluchten. Postduiven worden al sinds de 19de eeuw op duivenverenigingen verzameld, om vervolgens door vrachtwagens vervoerd te worden naar bijvoorbeeld Zuid-Frankrijk of Spanje. Eenmaal losgelaten is het ‘wie het eerste thuis is’. Thuis is een hok in de tuin of op zolder.

Duiven op het dak van een duivenmelker in de Jordaan in vroeger tijden. Foto Stadsarchief Amsterdam

Er waren tijden dat alle dertig duivenverenigingen in Amsterdam een tentoonstelling hadden. Nu zijn er drie verenigingen over in de stad en Insulindepost is de laatste met een tentoonstelling. De vereniging achter het Muiderpoortstation heeft nog maar 22 leden, het totaal binnen de stad komt niet verder dan negentig. En dat terwijl in de hoogtijdagen, de jaren 60 en 70, Amsterdam wel zo’n 1.600 duivenmelkers kende.

De cijfers komen uit het blote hoofd van Arie van Dam (80). Niet dat hij ze verzint, de zolder van zijn woning in de Oosterparkbuurt ligt vol met multomappen en stapels oude krantjes over de duivensport. Maar hij heeft ze niet nodig, zijn leven is gewijd aan postduiven. In de zeventig jaar dat hij duiven heeft, bekleedde Van Dam allerlei functies bij de Nederlandse Postduivenorganisatie (NPO), waaronder als voorzitter van de afdeling Amsterdam. Hij zag zijn sport erg veranderen. De postduivensport werd na de Tweede Wereldoorlog een populaire hobby onder arbeiders en eind jaren 70 bereikte dat een hoogtepunt, met landelijk bijna 60.000 duivenmelkers. Vorig jaar werden er in heel Nederland nog maar 15.400 duivenmelkers geteld.

In de hoogtijdagen telde Amsterdam 1.600 duivenmelkers. Nu nog maar negentig

Maar nergens daalde het zo hard als in Amsterdam, „toch het Mekka van de duivensport”, beweert Van Dam. Trots somt hij op: toen de sport begin 20ste eeuw een landelijke organisatie kreeg, kwamen alle bestuurders uit Amsterdam. Daar vertrokken hele treinwagons vol duiven, waar de rest van Nederland nog niet aan toe was. Het waren Amsterdammers die na de capitulatie met de bezetters onderhandelden, waardoor duivenmelken in ieder geval nog drie jaar toegestaan bleef. En in 1945 was in de oude RAI de eerste tentoonstelling sinds de oorlog.

Foto Stadsarchief Amsterdam

Dat de daling juist in de hoofdstad zo fors is heeft een aantal oorzaken, zegt Van Dam. Amsterdam kent nog maar weinig ruimte om duiven te houden. Nieuwbouw- en renovatieprojecten hebben een plat dak en een kelderbox in plaats van een zolder. Als er al een tuin is, is die vaak gemeenschappelijk. Woningbouwverenigingen geven tegenwoordig nauwelijks toestemming meer voor het houden van duiven. Maar, moet ook Arie van Dam toegeven, dat is niet het grootste probleem. „Bij de meeste verenigingen zitten alleen maar oudjes. Er komt weinig aanwas op de proppen.”

En dan is er nog de professionalisering van de sport. Het aantal postduiven is niet of nauwelijks afgenomen, legt Van Dam uit: „dat zijn er nog steeds meer dan een miljoen in Nederland.” Maar: die kleine houder met 17 duiven bovenop het dak, die sterft uit. Tegelijkertijd zijn er rijkelui uit landen als Rusland, Saoedi-Arabië en China die duizenden duiven hebben en soms voor tonnen een duif uit Nederland en België kopen. Hoewel het in Nederland niet zo ver gaat, zijn er wel melkers die driehonderd duiven meesturen op een wedvlucht. Van Dam: „Dat is voor de kleine duivenhouder niet meer te doen. Die stopt er dan mee.”

„Het is duurder, commerciëler en professioneler geworden”, zegt ook Hennie La Grouw (56), voorzitter van De Postiljon in West (de grootste postduivenvereniging van de stad; zo’n veertig leden) en zelf in de laatste zeven jaar zes keer kampioen van het district Amsterdam. „Ik zie het als topsport, met name de laatste jaren is het enorm ontwikkeld. Eén minuut kan honderd plaatsen schelen.” Hij investeert flink in z’n duiven.

Ook hij zag veel duivenmelkers afhaken. Maar nieuwe leden aantrekken is volgens La Grouw onmogelijk. „Al maak je de contributie gratis, het is niet meer van deze tijd. Er gaat toch geen enkele gek elke dag die duiven verzorgen? Je moet het hele weekend thuis blijven, je kunt zomers niet op vakantie, je kunt niks winnen... Het is alleen maar voor jezelf.”

Bekijk ook deze fotoserie uit 2016: ‘Dit is het leven van een fulltime duivencoach’

Arie van Dam vreest dat de sport „alleen overblijft als beroep. Dan kunnen die buitenlanders wel investeren, maar als er geen hobbyisten meer zijn dan blijven er ook voor hen geen interessante wedstrijden meer over.” La Grouw: „De competities worden heel klein, met alleen nog maar grote prijzen. De enige rol die Nederland houdt is de kweek, want Nederlandse duiven vliegen nog steeds geweldig.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.