‘Verdienmodel bouw windparken op zee onzeker’

Duurzame energie Volgens onderzoekers is het verdienmodel voor parken in de Noordzee mager. Het klimaatakkoord kan hierdoor in gevaar komen.

Windpark Luchterduinen, voor de Zuid-Hollandse kust. Het is de vraag of geplande windparken zullen renderen.
Windpark Luchterduinen, voor de Zuid-Hollandse kust. Het is de vraag of geplande windparken zullen renderen. Foto Remko de Waal/ANP

Er is een „wezenlijk risico” dat niet alle windparken die vanwege het klimaatakkoord tot 2030 op de Noordzee moeten komen, ook echt gebouwd zullen worden. De business case voor de windparken staat onder druk.

Dat concludeert het internationale adviesbureau AFRY in een donderdag verschenen rapport. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat gaf opdracht voor het onderzoek. Het bureau adviseert de overheid meer steun te geven aan windparken, onder meer door de elektriciteitsvraag te stimuleren.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dat in de stuurgroep van het onderzoek zat, onderschrijft de conclusies van AFRY. „De business case staat onder druk, en dat kan tot gevolg hebben dat exploitanten liever elders bouwen”, zegt Sander Lensink, expert hernieuwbare energie bij het PBL.

Twee jaar geleden bleken bouwers van windparken op de Nederlandse Noordzee voor het eerst bereid om zonder subsidie windparken neer te zetten. Omdat de kosten van de windturbines mede door schaalvergroting zullen blijven dalen, wil het kabinet na 2025 stoppen met subsidie.

Windenergie op zee is een cruciaal onderdeel van het klimaatakkoord voor 2030, en onmisbaar voor verdere verduurzaming daarna. Elektriciteit moet over tien jaar al grotendeels van wind- en zonneparken komen, waarvan ruim de helft van de windparken op de Noordzee. De totale capaciteit groeit van 1 gigawatt (GW) momenteel tot minstens 11,5 GW in 2030.

Lage winstverwachting

Maar voor potentiële exploitanten zullen die parken onvoldoende winstgevend zijn, concludeert AFRY. Volgens het bureau nemen bouwers die nu toezeggen dat ze windparken zonder subsidie neerzetten, aanmerkelijke financiële risico’s.

„Het lijkt erop dat projecten nu worden doorgezet, ondanks een relatief lage winstverwachting.” Bouwers nemen die risico’s voor lief omdat ze „strategisch belangrijke locaties voor offshore-wind willen innemen”.

De twee eerdere competities voor windpark-kavels zonder subsidie werden beide gewonnen door het Zweedse energiebedrijf Vattenfall. Voor het volgende kavel begint de competitie in april. AFRY acht het zelfs mogelijk „dat parken die zonder subsidie worden aanbesteed, uiteindelijk niet opgeleverd worden”. Namen van exploitanten of projecten noemt het bureau niet.

Het maakte een prognose op basis van de toekomstige energiemarkt (waarbij de verduurzaming in Europa volgens plan doorzet). Volgens AFRY dalen de kosten van windparken verder, maar is de financiële opbrengst van de elektriciteit te laag. Hoe meer windparken gebouwd worden, des te grotere overschotten aan stroom ontstaan als het hard waait – de elektriciteitsprijs keldert dan zodanig, dat een exploitant niets verdient.

Duidelijke overheidsvisie

Het bureau noemt elf mogelijke oplossingen. De meest kansrijke is het stimuleren van de elektriciteitsvraag, vindt zowel Lensink van het PBL als de koepel NWEA van de Nederlandse windbranche. Expert wind op zee Hilbert Klok van de branchevereniging: „Ik denk dat de overheid moet beginnen bij de industrie, zodat die ervoor kiest om te elektrificeren.”

Vanwege het klimaatakkoord was al uitgerekend dat de inzet van grote elektrische apparaten in fabrieken, zoals boilers, de landelijke stroomvraag met meer dan 10 procent kan doen groeien. Fabrieken zouden dan kunnen wisselen tussen stroom en aardgas – en bij harde wind profiteren van het ruime aanbod van goedkope windstroom. Lensink van het PBL: „Door dat prijsverschil zorgt flexibilisering ervoor dat een fabriek stroom gebruikt juist op de momenten waarop stroom het duurzaamst is.”

In de nieuwe subsidieregeling SDE++, die komend najaar ingaat, kunnen fabrieken al subsidie krijgen voor een elektrische boiler of voor waterstof uit elektrolyse.

Dat helpt, maar het is niet genoeg, zegt Lensink: „Je hebt ook een duidelijke overheidsvisie nodig zodat de markt kan anticiperen.” Volgens Klok van NWEA kan er ook gedacht worden aan invoering van een minimumprijs voor windstroom, of voor de verlenging van vergunningen voor kavels van 30 jaar naar 40 jaar. „Dan heeft de exploitant meer tijd om zijn investering terug te verdienen. Dan blijven de windturbines ook langer staan, en dat is nog duurzaam ook.”

Lees ook: Altijd goedkope stroom is geen zekerheid meer