Recensie

Recensie Boeken

Door homoseksualiteit, schoonheid en het kwaad kwam Jean Genet op het slechte pad

Literaire rebellen In de duistere wereld waarin eeuwige verschoppeling Jean Genet leeft, is misdaad erotisch, zo onthult zijn dagboek. In zijn warme prozagedicht De koorddanser overheerst de eenzaamheid.

Jean Genet rond 1950, als hij de criminaliteit net de rug toe heeft gekeerd.
Jean Genet rond 1950, als hij de criminaliteit net de rug toe heeft gekeerd. Foto Hulton Archive/Getty

Het is de kern van zijn meest toegankelijke boek, maar bovendien ligt Jean Genets schrijverschap en leven in dit ene zinnetje besloten, op driekwart van Dagboek van een dief: ‘Ik wil mezelf verwezenlijken in een zeldzame levensloop.’

Het leven naar eigen inzicht vormgeven – sommigen zouden niet van een wens spreken, maar van noodzaak. Jean Genet (1910-1986) werd als baby afgestaan, groeide op in opvanghuizen, in pleeggezinnen en op straat, zat vaker in de bak dan erbuiten. Hij was bij voorbaat ontworteld en tot een zwervend leven gedoemd.

Daarom kiest de eeuwige verschoppeling voor het dagboek. Hij kan naar hartelust zijn herinneringen en anekdotes aandikken: ‘de feiten waren zoals ik ze beschrijf, maar de interpretatie die ik eraan geef is wat ik ben (geworden)’. Zo kan hij een nog zeldzamere levensloop, een mythologie, fabriceren.

Hij herinnert zich de strooptochten van ene René, die het vooral gemunt heeft op weerloze homo’s. Genet verplaatst zich niet alleen in deze dader, tegen wie hij opkijkt, ook identificeert hij zich met het slachtoffer, in wie hij zo veel van zichzelf terugziet – en waardoor zijn opwinding verhevigt. Genet geilt op misdaad en misdaad is erotisch in de wereld waarin hij leeft. Van zijn avonturen van Antwerpen tot Barcelona doet hij in zijn dagboek verslag. Altijd is hij omringd door hetzelfde type man, de ideale macho, die hem tot in zijn diepste beroert.

Expliciete details van zijn omgang met deze masculiene figuren blijven uit. Dat ligt minder aan de Franse censuur waardoor Genet passages moest schrappen dan aan de kracht van onthouding. Een van die criminelen, Stilitano, laat zich nooit helemaal zien, wanneer Genet bij hem slaapt. Zo tuchtigt hij hem. Als Genet van Stilitano ‘had gekregen wat ik zo fel van hem begeerde, was Stilitano in mijn ogen weliswaar de stevige en charmante meester gebleven, maar noch zijn kracht noch zijn charme zou mijn verlangen naar allerhande mannelijke types hebben gestild: de soldaat, de matroos, de avonturier, de dief, de misdadiger. Door ongenaakbaar te blijven werd hij de belichaming van bovengenoemden, die me van mijn stuk brengen. Ik was dus kuis.’

Duisternis

Geen consummatie van de liefde dus, maar eeuwig homoseksueel verlangen dat hij als volgt definieert: ‘Een man liefhebben betekent niet alleen me het hoofd op hol te laten brengen door een paar details die ik nachtelijk noem omdat ze een duisternis in mij oproepen die me doet huiveren (haar, ogen, glimlach, duim, dijbeen, beharing, enz.), maar ook die details te dwingen alles zoveel mogelijk in schaduw te veranderen, schaduw uit schaduw te maken, haar dus te verdichten, haar gebied te vermenigvuldigen en te laten volstromen met duisternis. Het is niet alleen het lichaam met al zijn versierselen dat me van de wijs brengt, en ook niet alleen het liefdesspel, maar het laten voortduren van elk van de erotische kwaliteiten ervan.’

Genets natuurlijke habitat is de duisternis, dus daar moet het verlangen en alles waar het zich aan hecht naartoe geleid worden. De duisternis is een ‘verboden universum’, bevolkt door criminelen en ander gajes, ver weg van de burgerlijke wereld. Het is het ‘uiterste punt waar de afkeuring van mensen naartoe leidt’.

Een van die mensen is zijn lezer. Diens aanwezigheid benadrukt Genets plek buiten de dominante orde, een positie waar hij graag naartoe verbannen wil worden. Daarom laat hij geen moment onbenut de verhoudingen scherp te stellen. Hij vraagt zich af of iemand verbaasd zal zijn over zijn bewering dat misdaad hem kan helpen zijn morele kracht te behouden.

Waarom wil hij dat zo graag? Hoe groter zijn schuld in de ogen van zijn lezer zal zijn ‘en hoe vollediger ik die aanvaard, des te groter is mijn vrijheid. En des te volmaakter mijn eenzaamheid en mijn uitzonderlijkheid.’ Zonder de medewerking van zijn lezer slaagt zijn zelfverwezenlijking in die zeldzame levensloop niet.

Daarom moet zijn lezer medeplichtig worden, zoals Genet aan het begin van Dagboek van een dief schrijft. En een andere optie is er niet, want Genet heeft op dat moment al genoeg compromitterende informatie opgedist.

Compromitterend is niet zozeer het strafblad van René, Stilitano of Genet zelf, maar vooral het wereldbeeld dat Genet ontvouwt in dit dagboek, voor het eerst gepubliceerd in 1949. Aan de hand van zijn herinneringen en anekdotes werkt hij een omgekeerde ethiek uit, waarin het kwaad nastrevenswaardig en diefstal ‘een soort actief kunstwerk’ is. De schoonheid die ervan uitgaat, put hij uit zijn verfraaide zwerftochten.

‘In travestie’

Tegelijkertijd is deze ethiek de rode draad in zijn biografie. Nog maar net binnen bij een juwelier weet hij zeker dat hij met een sieraad naar buiten zal lopen: ‘een ring óf handboeien’. In een andere scène betreedt Genet een café ‘in travestie’. Hij wordt met een vriend door een aantal Franse officieren aan tafel uitgenodigd. Een dame aan dezelfde tafel vraagt na wat glimlachen: ‘Houdt u van mannen?’ Genet antwoordt bevestigend. ‘En wanneer is dat… begonnen?’ Aan zijn stem hoort hij hoe boos en beschaamd hij is en om weer tot zichzelf te komen berooft hij diezelfde avond een van de officieren.

De heilige driehoek van homoseksualiteit, schoonheid en het kwaad vormt het dwingende fundament van zijn zelfverwerkelijking en verklaart waarom Genet niet op het rechte pad te krijgen is. Dankzij ‘een soort vasculaire uitwisseling tussen mijn neiging tot verraad en diefstal, en mijn liefdes’, begeert hij zowel de manhaftige daden van criminelen, zijn helden, als de criminelen zelf, zoals in het geval van een grenswachter.

Deze diender is op jacht naar smokkelaars en loopt Genet tegen het lijf. Ze delen een maaltijd met wijn. Ze praten een tijdje ‘en daarna begon hij me te strelen’. De smokkelaars kunnen gewoon hun gang gaan, omdat de verteller het strelen intensiveert, waardoor de grenswachter zich er niet van kan losmaken. De verteller voelt zich ‘de uitverkorene die onder een hemel vol sterren de overwinnaar wiegt’.

Ook voor de smokkelaars voelt hij zich verantwoordelijk, wanneer hij zich realiseert dat hun lot van hem afhangt – trots geeft hem kracht. ‘Als ik die politieman kan tegenhouden door liefde te veinzen, zal ik hem nog beter tegenhouden, dacht ik bij mezelf, als mijn liefde nog sterker is, en aangezien ik niets beters weet te doen, zal ik hem uit alle macht beminnen. Ik gaf hem mijn mooiste nacht. Niet om hem gelukkig te maken, maar om zijn schande op me te nemen – en hem ervan te bevrijden.’

In de grenswachter versmelten macht en misdaad en Genet, die de schande van verraad, homoseksualiteit en dienstweigering aanvaardt, idealiseert hem tot een heilige.

Castratie van een crimineel

Dat doet hij ook in een andere recent vertaalde tekst, alleen betreft het nu geen crimineel, maar een koorddanser. Dit verschil verdient enige toelichting. Eind jaren veertig wordt Genet gratie verleend, ‘op voorwaarde dat hij nooit meer in aanraking zou komen met de Franse politie’. Zijn biograaf Edmund White sprak in een interview uit 1995 van castratie, want wat voor crimineel ben je nog wanneer je nooit meer een misdaad mag begaan? Behalve een beroemd schrijver maakt het pardon van hem een burger, onderdeel van de samenleving waar hij zich altijd fel van afkeerde.

Dat Genet een tekst wijdt aan een acrobaat zou je daarom opvallend kunnen noemen. De tekst waar ik het over heb, het warme en glinsterende prozagedicht De koorddanser, stamt uit 1957. Zijn grote liefde Abdallah beoefende de balanceerkunst totdat een ingrijpend ongeval een einde maakte aan zijn carrière. De koorddanser laat het koord zingen, terwijl hij voor zichzelf danst: ‘We kwamen niet naar het circus om een hoer te zien, maar een eenzame geliefde op zoek naar zijn beeltenis, die ervandoor gaat en spoorloos verdwijnt op een stalen koord. […] Dat is de eenzaamheid die ons zal fascineren.’

Hij is alleen, ondanks de aanwezigheid van het publiek – dánkzij het publiek, aldus de dichter. Eenzaamheid kan hem alleen toegekend worden door het publiek, zoals de lezer van Dagboek van een dief Genet zijn uitzonderlijke eenzaamheid verschaft.

Deze ‘schijnbare vloek zal hem alle vermetelheden toestaan, aangezien hij zich door geen enkele blik in verwarring laat brengen’. Voor zijn verschijning op het koord sterft de danser, omdat hij pas dan ‘vastbesloten [is] tot alle schoonheid, in staat tot alle schoonheid’.

Naast de gebaren van de koorddanser verbluft de uitdagende verbeelding van het schrijverschap. De dichter kan evenmin zonder eenzaamheid zijn werk creëren. Ook hij moet de gevaarlijkste houding aannemen. Zijn woord is het koord waarop de kunstenaar zichzelf poogt te verwezenlijken.

De voorstelling verandert de koorddanser voor even in zichzelf: ‘Het wonder zou zijn dat jullie het vermogen hebben je daar vast te maken, zowel in de piste als in de hemel, in de vorm van een sterrenbeeld.’

Om terug te komen op het zinnetje waarmee ik begon: op dezelfde manier als de schrijver verwezenlijkt hij zichzelf in een zeldzame levensloop. In De koorddanser vind je een even sierlijke als onontkoombare variatie erop: ‘proberen in je apotheose aan jezelf te verschijnen’.