Opinie

Supergezond

Ellen Deckwitz

Begin deze week moest ik even langs mijn huisarts en gewoontegetrouw stak ik mijn hand uit toen ze op me af liep. Ze deinsde meteen achteruit. „Vanwege het coronavirus mag ik geen handen schudden”, zei ze, waardoor ik mezelf zowel afgewezen als veilig voelde.

Later die dag had ik een receptie: een vriend ging met pensioen en zijn werkgever gaf zo’n uitbundige afscheidsbijeenkomst dat het haast een beetje beledigend was. Toen ik de feestzaal binnenliep, kreeg ik een drankje aangeboden, waar de ober aan toevoegde dat vanwege corona er vandaag geen handen werden geschud.

Ik voelde me stiekem ook opgelucht, want dankzij deze voorzorgsmaatregel was ik ontslagen van een verplichting waar ik het al decennialang toch moeilijk mee heb: het aanraken van onbekenden. Dat heeft niets te maken met smetvrees of xenofobie, maar met een aanranding, waardoor ik een tijdlang niet eens een knuffel van vrienden of familie verdroeg. Inmiddels gaat het stukken beter, maar er is wat restletsel gebleven dat geen enkele psycholoog of EMDR-abonnement heeft weten weg te poetsen. Sociale gelegenheden vind ik altijd wat ingewikkeld: het schudden van handen met onbekenden en die drie zoenen die er dan vaak ook nog op volgen.

Maar daar was ik opeens vanaf, en zo fladderde ik door het feestgedruis, kletste met iedereen en had zo de afscheidsreceptie van mijn leven. Dankzij de gevreesde pandemie was ik opeens van een verplichting ontslagen waar ik het al jaren moeilijk mee had, sterker nog: door iets na te laten wat ik sowieso al vervelend vond, redde ik ook nog eens potentieel honderden levens (het was al laat op de middag toen ik dit dacht en ik had toen ook al aardig wat cola’s op).

En zo voerde ik een heerlijk gesprek met een duifgrijze ceo tussen wiens tanden sesamzaadjes klemzaten en uit wiens reukorgaan een woud aan neushaar bloeide. Alleen al de wetenschap dat mijn afstandelijkheid op zijn gezondheid hetzelfde effect had als tien baantjes trekken in een zwembad gevuld met desinfecterende handgel maakte me meervoudig gelukkig. Ik had veel meer aandacht voor wat hij zei in plaats van dat ik me al prematuur aan het opvreten was over het obligate wangschaven dat voorheen het slotakkoord van een gesprek vormde.

Misschien, dacht ik op de weg terug, zorgt de angst voor dat virus er wel voor dat we onze etiquette zullen aanpassen. Dat we voortaan bij wijze van groet of afscheid gewoon een duim opsteken, wat zowel vriendelijk als hygiënisch is. Dan komt de nadruk weer te liggen op het gesprek zelf, in plaats van formaliteiten waar niemand vrolijker, noch gezonder van wordt. En zo liep ik opgewekt naar huis, geheel onaangeraakt, geheel voldaan.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.