Recensie

Recensie Uit eten

Shanghai Papa: íets minder Chinees dan 'de Chinees'

Uit eten Rotterdam Wim de Jong recenseert elke twee weken een restaurant in Rotterdam.

Foto Walter Herfst

Chinees-Indonesisch restaurant Shanghai in Den Haag was tot voor enkele jaren geleden in eigendom van de familie Chau. Het bedrijf moest worden verkocht toen de oude meneer Chau ernstig ziek werd en niemand van zijn kinderen de zaak wilde overnemen. Niettemin kreeg de tweede dochter van het gezin, Maggie Mee Yee, kort nadien toch spijt dat aldus een lange familietraditie overboord werd gezet. Ze besloot alsnog in de horeca te stappen en opende, met behulp van een crowdfundingsactie, onlangs haar eigen Chinese restaurant als eerbetoon aan haar vader.

Maggie koos daarbij niet voor Den Haag, maar betrok met Shanghai Papa het pand aan de Rotterdamse Botersloot waar tot voor kort De Burgerij in was gevestigd. De stad heeft er daarmee alwéér een Aziatisch eethuis-nieuwe stijl bij, zoals ze er tegelijk ook door bevestigd ziet dat die hamburger-hype van het voorgaande decennium nu wel definitief op zijn eind is.

De aanduiding ‘eethuis’ is in geval van Shanghai Papa misschien nog wat te minnetjes. Het is per slot van rekening een enorm vloeroppervlak waarover Maggie Chau de beschikking heeft. Bovendien is de zaak ingericht als zo’n typische artdeco-brasserie die je ook in de oude Europese wijken van Shanghai nog kunt binnenlopen.

De menukaart van Shanghai Papa heeft dan weer weinig met de keuken van die metropool van doen. Maggie Chau schrijft daarop dat ze zich voornamelijk geïnspireerd weet door wat de pot in Hong Kong schaft, maar anderzijds ook niet beducht is om die te mixen met nieuwe smaken en ingrediënten die passen bij de „western lifestyle” (de voertaal in Shanghai Papa is het Engels). Zo moet je er niet raar van opkijken dat de Haa Tosti van Hongkongse garnalen er wordt belegd met parmaham. En, los van de gerechten: dat je in een ambiance bent beland waar een enorme afbeelding van Bruce Lee gemakkelijk samengaat met decoratieve elementen als een antieke naaimachine en een dito grammofoon, én met een ruime vertegenwoordiging van jongens met knotjes in hun haar.

Hartstikke leuk en Instagram-waardig allemaal constateren we al rondkijkend (de authentieke Hongkongse gebakjes zijn een pláátje), al blijven we bij menige schotel die we geserveerd krijgen wel onze bedenkingen houden. De Chu Pa-bao’s van al te dik deeg met varkensvlees (6,90 euro) en de dumplings met garnalen (idem) hebben we elders wel eens beter geproefd. De stukjes beef in de rijstkom met gekarameliseerde walnoot (Amberwalnut Beef, 18 euro) zijn met bakpoeder zó opgepiept dat we er bellen mee zouden kunnen blazen. De gestoomde kip in de Sacred Double Lotus, 12,50 euro) en de Po Tjai Faan (met flauwe meergranenrijst en Chinese paddenstoelen, 6 euro) zou bij wijze van spreken in de Croma tot een veel aanvaardbaarder resultaat hebben geleid. De Bon Bon Mushroom Salad van paksoi (8,50 euro) is in al zijn nietszeggendheid simpelweg stukken te duur.

Lekker vinden we op hun beurt de Typhoon Shelter Tofu (12,50 euro) en de stevige Red Aduki-pudding van Chinese boontjes (4,50 euro), die we tot slot van ons diner delen. Maar dan hebben we het aan ons tafeltje dus al wel een halfuur lang gehad over het feit dat Chinese chefs van de generatie van Maggie Chau's papa natuurlijk heus wel wisten wat ze deden. En dat ze dat in een aantal gevallen gelukkig ook nog steeds doen: met in Rotterdam de Hung Kee’s, de Tai Wu’s en de Kruiskade-toko’s. Wat is er hun keukens en/of onze „western style”-smaak nou dusdanig misgegaan dat hun nakomelingen het over een iets andere boeg menen te moeten gooien? En wat is dat ‘iets’ dan? We houden het bij ons vertrek op iets meer storytelling, en iets minder goed en authentiek Chinees eten.

Wim de Jong is culinair recensent.