Nexhmije Hoxha (1921-2020) bleef trouw aan Stalin en haar man

De laatste bladzijde In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Nexhmije Hoxha, weduwe van de zeer repressieve Albanese dictator Enver Hoxha, was zelf ook gevreesd.

Nexhmije Hoxha bij een interview in 2008.
Nexhmije Hoxha bij een interview in 2008. Foto Arben Celi/Reuters

Vijftiger Edlira Toci herinnert zich de dag waarop de weduwe haar voor het laatst een hand gaf. „Het moet rond de eeuwwisseling zijn geweest, mijn vader was jarig en Nexhmije was al een paar jaar uit de gevangenis.”

Toci is de dochter van de man die tot de dood van dictator Enver Hoxha diens persoonlijke secretaris was. Het hele gezin viel stil toen weduwe Nexhmije binnenkwam. Als altijd droeg ze onopvallende, blauwe schoenen, een halflange rok en het grijze haar in een knot. Toci: „Al had ze geen formele macht meer, ze boezemde nog altijd angst in.”

Zesenveertig jaar lang was Nexhmije Hoxha (uit te spreken als Nedzjmieje Hodzja) de machtigste vrouw van het land, eerst als directeur van het Instituut voor Marxistisch-Leninistische studies, later als leider van het ‘Democratisch Front’, die controle uitoefende op de enig toegestane politieke partij. Maar de meeste macht ontleende ze aan haar huwelijk met Enver Hoxha, de man die tot zijn dood in 1985 de meest repressieve dictatuur van Europa leidde. Ze hadden elkaar leren kennen als partizanen, tijdens de Italiaanse bezetting en trouwden in 1945.

Dat ze op verjaarsvisite kwam bij haar mans gewezen secretaris, was te verwachten. De weduwe onderhield contact met iedereen die trouw bleef aan haar mans regime, ook na de ineenstorting ervan in 1991. Toci: „Ik nam haar jas aan, ze liep de huiskamer in en groette alle gezinsleden hartelijk. Tot ze zag dat het portret van haar man niet meer aan de muur hing. Zonder iets te zeggen liep ze naar de vestibule, griste haar jas van de kapstok en vertrok weer. Ze heeft nooit meer een stap in ons huis gezet. Op straat veinsde ze ons niet te kennen.”

Nexhmije Hoxha in 1991, toen ze onder huisarrest stond, met een jeugdfoto van haarzelf. Foto Barry Lewis/Corbis/Getty Images

Nexhmije Hoxha overleed op 26 februari, kort na haar 99ste verjaardag. In het laatste interview dat ze gaf, aan een Albanese tv-zender, noemde ze haar man een „uitstekend leider”, een „echte marxist”, een man met „heldere idealen” die hield van „zijn bevolking”. Voor verraders had ze, tot op het laatst, niets dan minachting.

In de Albanese necrologieën over haar bleek hoe ambivalent in het land de relatie is met het eigen verleden. Commentatoren memoreerden de welvaartsgroei die het regime realiseerde, in de eerste jaren. Het analfabetisme werd teruggedrongen, elektriciteit kwam naar de dorpen en het land genereerde zelfs enige industriële productie – met grootschalige hulp van de Sovjet-Unie en later China. Het ging mis met de destalinisatie in Moskou en, later, het economische pragmatisme in Peking. De Hoxha’s waren woedend: hier werd Stalin verraden. Het land verbrak alle banden met het buitenland. Maar autarkie was een onbezonnen ideaal in een klein, bergachtig land als Albanië. In de jaren tachtig geraakte de bevolking aan de bedelstaf; de economie halveerde. Alleen de elite leed geen honger.

De staatscontrole was totaal. Er bestonden zelfs verbodsbepalingen over de lengte van haar en de wijdte van broekspijpen. Een kleine misstap kon leiden tot een aantekening in je ‘biografie’ (en in die van je familieleden), waarna verbanning dreigde naar een klein dorp in de bergen, of erger: naar een van de talloze werkkampen.

In haar memoires verdedigde Nexhmije de repressie. Haar man streed tegen „anti-socialisten en anti-nationalisten die samenspanden tegen de staat”. Het was zijn goed recht tegen hen op te treden met de wetten die hem ter beschikking stonden.

Zelf streed ze na de dood van haar man tegen de voorzichtige hervormingen van de nieuwe leider, Ramiz Alia. Nexhmije groeide uit tot informeel leider van de hardliners. De bevolking zag dat ze net zo argwanend was als haar man, maar zijn charisma ontbeerde. Ze bleek een kille, berekenende en fanatieke vrouw, in gedrag en in haar uitlatingen.

Kort nadat een menigte in 1991 het grootste standbeeld van haar man omver had getrokken, hing Nexhmije een jarenlange gevangenisstraf boven het hoofd. Maar er kwamen geen wetten die dat mogelijk maakten. Nagenoeg alle politici en rechters kwamen voort uit het oude regime; zij weigerden het systeem te veroordelen waarin Nexhmije zo’n belangrijke rol had gespeeld. Het vonnis tegen haar sprak uiteindelijk van „het verdonkeremanen van staatseigendom”. Daarbij ging het om koffie, echte, een schaars goed in Hoxha’s dagen.

In 1997 kwam ze vrij, halverwege haar gevangenisstraf. Ze keerde terug naar Tirana, waar ze in toespraken en interviews fulmineerde tegen de nieuwe kapitalistische orde. Zo groeide Nexhmije in haar laatste jaren uit tot een symbool, niet zozeer van de gruwelen van de dictatuur, als wel van de omgang in Albanië met het eigen stalinistische verleden. Vooral voormalig politiek gevangenen kritiseren de vriendelijke vragen die de weduwe kreeg in interviews. Eén van hen, Besim Ndregjoni, noemde de weduwe vorige week op tv „een beul die is veroordeeld voor geld uitgeven aan koffie”. Ze is bijna honderd geworden, stelde hij bitter vast, en nog is postcommunistisch Albanië niet in staat gebleken haar te veroordelen voor medeplichtigheid aan een moorddadig regime.