De IJslandse pianist Víkingur Ólafsson.

Ari Magg

Interview

‘In de muziek bestaat niet één weg en één waarheid’

Víkingur Ólafsson, IJslandse pianist De magie van de IJslandse pianist Víkingur Ólafsson is de versmelting van het heden en verleden. Zaterdag vertolkt hij in Het Concertgebouw ‘Must the Devil Have all the Good Tunes?’, ofwel het ‘Tweede Pianoconcert’ van John Adams.

Víkingur Ólafsson verstaat de kunst je met andere oren te laten luisteren naar stukken die je al jaren kent - niet zozeer door eigenzinnige vertolkingen maar door het leggen van onverwachte dwarsverbanden. In zijn recital in Utrecht, vorig najaar, weefde hij een uur lang korte Bach-stukken tot één spirituele ervaring, een geheel dat de optelsom der delen ontsteeg.

Aan die eigenschap herkent Ólafsson de grote kunst. „Die gaat een eigen leven leiden, geloof ik, los van zijn schepper. Bach overzag niet de reikwijdte van zijn muziek, zoals dichter Shakespeare zijn Hamlet niet helemaal kon doorgronden, hoewel hij het personage zelf had bedacht. Mijn eenjarige zoon komt voort uit mijn vrouw en mij, maar zal uitgroeien tot een zelfstandig mens. Componisten zijn vergelijkbaar met ouders: zij moeten hun kinderen kunnen loslaten in het vertrouwen dat ze op eigen benen kunnen staan, wie en wat ze onderweg ook tegenkomen.”

Want Bach en Shakespeare zijn niet alleen de godheden die wij van hen maken, vindt Ólafsson. „Over beiden praten we in monumentale termen: oervaders van de muziek en het toneel. Zij verbinden het verleden en de toekomst, tonen ons een universum zoals we dat nog nooit zagen. Maar behalve de schepper van de grootse Matthäus-Passion en Hohe Messe, is Bach ook meester van het korte verhaal, lichtvoetig en spontaan - hij kan vlinderen, grappen, provoceren. Naast het heilige, laat hij het alledaagse weerklinken. Waarom vertolken we Bach nog altijd? Niet om de volmaaktheid van zijn muziek, maar omdat we onszelf, de mens, erin terugvinden.”

Vrijelijk ontwikkelen

Geboren halverwege de jaren tachtig in Reykjavik groeide Ólafsson op in een tijd dat het fenomeen Björk de IJslandse muziek op de wereldkaart zette. Zijn vader luisterde als architect bij het ontwerpen van huizen altijd naar klassieke muziek. Zijn moeder is pianiste - haar vleugel vormde het belangrijkste speelgoed van zijn kinderjaren.

„Ik kon eerder musiceren dan praten”, herinnert hij zich. „IJsland was in die jaren een muzikale uithoek zonder dogma’s of scheidslijnen. Een slagwerker speelde op donderdag in het symfonieorkest en drumde de avond erna in een rockband. Niemand die daarvan opkeek. Mijn talent kon zich vrijelijk in alle richtingen ontwikkelen. Daar pluk ik nu nog altijd de vruchten van.”

Zijn nieuwe album is hiervan een toonbeeld: Ólafsson overbrugt een kloof van twee eeuwen door miniaturen van de Franse componisten Rameau en Debussy te laten versmelten. „Afgelopen zomer studeerde ik hun pianowerk en drong zich het beeld op dat zij muzikale broers zijn. Beiden waren in hun tijd een enfant terrible, doorbraken regels, openden nieuwe dimensies, schilderden klanken. Debussy aanbad zijn voorganger Rameau. Dat hoor je terug. Hun werken lijken soms hoofdstukken uit hetzelfde boek. Dezelfde poëtische hartenklop beheerst hun muziek.”

Open geest

Rameau en Debussy gaven composities titels die tot de verbeelding spraken: voetstappen in de sneeuw, tedere klachten, tuinen in de regen, het meisje met vlasblond haar, de terugkeer van de vogels. Dat geldt ook voor het Tweede Pianoconcert van de Amerikaan John Adams dat Ólafsson zaterdag in Het Concertgebouw zal uitvoeren. Het heet: Must the Devil Have all the Good Tunes?. De componist gaat het zelf dirigeren.

„Al sinds mijn tienerjaren is Adams een van mijn helden”, vertelt Ólafsson. „Stukken van hem leerde ik kennen in de werkkamer van mijn vader. In zijn muziek vermengt hij bestaande werelden tot een geheel eigen planeet. Veel eigentijdse componisten bezitten een open geest. Een Philip Glass vond het prima dat ik zijn études anders vertolkte dan hij. Van Adams krijg ik ook de ruimte. Zij begrijpen dat er niet slechts één weg en één waarheid is, dat elke uitvoering eigen moet zijn, om de muziek en kunst te laten overleven.”