Opinie

Geef theatermakers een minimum aan respect

Cultuurbeleid Er is in de podiumkunsten geen overaanbod, maar ondervraag en ondoordacht beleid, schrijft theatermaker . Maar: „Zolang we blijven doen alsof iedereen van ons geweldig is, tonen we onze onmacht.”
Beeld uit het stuk ‘The Nation’ van Eric de Vroedt.
Beeld uit het stuk ‘The Nation’ van Eric de Vroedt. Foto Sanne Peper

Tientallen collega-theatermakers en gezelschappen hebben de afgelopen week hun subsidieaanvragen ingediend bij het Fonds Podiumkunsten. En opnieuw is de onzekerheid groot: meer dan de helft van de meerjarig gesubsidieerde gezelschappen dreigt te verdwijnen. Door de verplichte Fair Practice Code – het invoeren van loon naar werk bij culturele instellingen, gezelschappen en festivals die worden gesubsidieerd door het Rijk – dreigt het aantal gezelschappen dat wel doorgaat bovendien veel minder te kunnen produceren.

Moet ik echt weer beginnen over geld? Of moeten we het eens over iets groters hebben: de sluipende afbraak die al ruim tien jaar bezig is? Over „al die lege zalen met tien mensen op de eerste rij” van Mark Rutte? Over „het bloemencorso” en „de volkscultuur” van Thierry Aartsen? Over de kunstenaars die volgens Boreale Baudet „ons land vernietigen”? Hij is de enige die ons serieus neemt. Ja, mensen, wij kunnen een land vernietigen! Is het probleem niet allang glashelder? Ze moeten ons niet. Wij zijn ‘overaanbod’. Met dit geniepig woordje worden wij al ruim tien jaar met veel succes geframed.

Hakwerk

Wat is dat toch voor hardnekkige mythe? In elk rapport van elke adviesraad komt het uitentreuren terug. In elk sectoroverleg is de bottom line: het is te veel. Wij, podiumkunstenaars, zijn collectief gaan geloven in onze eigen overbodigheid en hebben dat zelf jarenlang ook uitgedragen. Want we dachten: we snijden die zwakkere broeders weg, dan houden we over wat goed is. Het publiek, het geld en de speelplekken verdelen we onder de overgebleven groepen. Lang leve de topkunst!

Wat een godvergeten leugen is dit gebleken. In 2012 verdween 200 miljoen bij het Rijk en 275 miljoen bij gemeentes en provincies. Het hele systeem ging naar de gallemiezen. Wij vingen dat op met overuren, schijncontracten en kunst- en vliegwerk. We stortten ons op opdrachten om ons bestaansrecht te bewijzen: publiek, diversiteit, engagement, educatie, regio’s, ondernemerschap. Als dank: wat doekjes voor het bloeden, maar het hakwerk ging gewoon door.

Lees ook: Eerlijk belonen in de culturele sector kost twintig miljoen

Lang dachten we dat het een misverstand was. Dat onze goedbedoelende bestuurders het verkeerde deden. Maar de waarheid is: Tweede Kamer, minister en ministerie vinden het prima dat er straks minder aanbod komt. De waarheid is: wij hebben geen vrienden in Den Haag. We hebben geen ministerie dat zich werkelijk om ons bekommert. We hebben een minister die – supersympathiek – alle premières afstruint en na afloop met ons op de foto gaat, maar als het erop aankomt, niks voor ons doet. Kamerleden denken dat we verwende kindjes zijn die een lekkere provocatie wel kunnen gebruiken: denk je nou echt dat jouw orkest beter is dan het bloemencorso?! Zet je subsidie maar eens op je toegangskaartjes!

Net als iedere burger van dit rijke land meen ik recht te hebben op een minister die voor mij strijdt. Die een visie heeft. Die naar wegen zoekt om makers optimaal te faciliteren. Die middelen vrijmaakt om publiek en makers op nieuwe manieren samen te brengen. Die innovatie en experiment stimuleert. Die de allermooiste kunst wil laten bloeien. En die wil dat zoveel mogelijk mensen daarvan genieten.

Brutaler fantaseren

Misschien is het te veel gevraagd. Maar het minste wat ik mag verwachten is een minimum aan respect. Behandel ons alstublieft als de keihard werkende professionals die wij zijn. Die letterlijk dag en nacht werken om unieke, urgente kunstwerken te maken die mensen raken, inspireren, iets leren, betekenis geven, optillen uit het dagelijks bestaan.

Als wij de kunsten in dit land willen laten bloeien, dan zullen we het mythische monster van het overaanbod in de bek moeten spugen en grootschalig moeten investeren. Ons radicaal vermeerderen en ons opdringen. Niet minder, maar meer voorstellingen spelen – dat hebben we bij Het Nationale Theater in Den Haag gedaan, met stijgende publieksaantallen tot gevolg. Niet je terugtrekken in je schulp. Juist nog brutaler fantaseren. Het onmogelijke eisen en organiseren. Elkaar opzoeken en ondersteunen. Samenwerkingen zoeken met stad en land. De wijk intrekken en bewoners aan hun kragen naar de zalen trekken. Voorstellingen toegankelijk maken voor doven, blinden en eenzamen. De kracht van theater samen vieren. Wat staan we toch te treuzelen! Er ligt een hele wereld voor ons open. Wat staan we onszelf toe te willen?

Want er is natuurlijk helemaal geen overaanbod. Er is ondervraag. Dat klinkt als een socialistische redeneertruc, maar het grootste probleem in onze sector zit aan de vraagkant, bij de noodlijdende theaters en onder water staande schouwburgen, die gefinancierd worden vanuit gemeentelijke middelen. Door gemeentes die overstelpt worden met rijkstaken en vaak zwaar moeten bezuinigen. Die wel graag prestigieuze theatergebouwen neerzetten maar geen budget meer hebben voor kwalitatieve programmering. Heeft de minister een oplossing voor dat veel wezenlijker probleem?

Lees ook: Fair pay is niet het enige probleem

Niet-gelukte voorstellingen

En als je toch per se van overaanbod wil spreken, laat het dan gaan over het mislukte aanbod, dat het kwalitatieve aanbod vervuilt, maar desondanks niet kan worden afgevoerd. Praat dan over niet-gelukte voorstellingen die toch veertig keer moeten spelen om de subsidie-eisen en financiële targets maar te halen. Kan er niet eens een commissie of denktank een systeem verzinnen waarbij niet-gelukte voorstellingen makkelijker kunnen afvloeien, zonder dat het meteen tot faillissement of fatale subsidiekorting leidt?

Want dat is de andere kant: als wij niet meer het slachtoffer willen zijn van ondoordacht beleid, dan zullen we het gesprek over kwaliteit en ambacht nieuw leven in moeten blazen, hoe ingewikkeld en pijnlijk soms ook. Niet alles en iedereen is goed. Niet iedereen is na jaren nog urgent en geïnspireerd. Zolang de sector zelf geen agenda heeft op doorstroming en uitstroming doet de politiek het voor ons. Zolang wij maar blijven doen alsof iedereen van ons maar geweldig is, zolang tonen wij onze onmacht. Laten we dus strijden voor grotere inhoudelijke strengheid. En laat ons vechten tegen deze zoveelste bezuiniging. En pleiten voor meer investeringen en rechtvaardigheid in onze prachtige sector.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.