De wijk maakt uit voor de zorg

Jeugdhulp In de ene wijk krijgen veel jongeren hulp, in de andere veel minder. Maar dat betekent niet automatisch dat er meer problemen zijn.

Foto Roos/ANP

Hoe kan het dat in de ene wijk meer jongeren hulp krijgen dan in de andere, ook al liggen die wijken pal naast elkaar? Die vraag is voor het eerst onderzocht door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). In het rapport Jeugdhulp in de wijk, dat deze donderdag verschijnt, is gekeken naar onderliggende oorzaken voor lokale verschillen in het gebruik van jeugdhulp.

Bijna een op de tien jongeren in Nederland krijgt een vorm van jeugdzorg. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek ging het in 2018 om 428 duizend jongeren. De meesten – zo’n 390 duizend – kregen ‘jeugdhulp zonder verblijf’, dat wil zeggen dat de jongeren en hun gezinnen thuis of via hun netwerk begeleid worden, bijvoorbeeld door een wijkteam of ambulant behandelaar.

Gemeenten weten nu niet altijd waarom in een bepaalde wijk erg veel of weinig jeugdhulp wordt verleend. Omdat het gebruik van jeugdzorg toeneemt en de kosten stijgen – met problemen tot gevolg – is het volgens het SCP belangrijk dat gemeenten hierin inzicht krijgen, zodat ze hun aanbod er beter op kunnen afstemmen.

„Tot nu toe is vooral gekeken naar jeugdzorgregio’s en gemeenten”, zegt SCP-onderzoeker Roelof Schellingerhout. „Dit keer hebben we ingezoomd op het laagste geografische niveau waarover in Nederland gegevens beschikbaar zijn: de wijk.”

Sociale kenmerken

Voor het onderzoek werd een model ontwikkeld dat het gebruik van jeugdhulp koppelt aan de kenmerken van wijken. Schellingerhout: „Uit de literatuur weten we dat verschillen tussen wijken kunnen samenhangen met sociale en demografische kenmerken, zoals het aantal eenoudergezinnen en de grootte van een wijk, of het aandeel bijstandsgebruikers en niet-westerse migranten.” In totaal verzamelde het SCP gegevens over 2.918 wijken.

Gebruik van jeugdhulp soms anders dan verwacht

Wijken met veel jeugdhulp bevinden zich vooral ‘aan de randen van Nederland’: in Groningen, Drenthe en Limburg, en delen van Zuid-Holland. Minder jeugdhulp is er in Overijssel, het westen van Friesland, delen van Noord-Holland en het zuiden van Noord-Brabant. Net als op regionaal niveau is het gebruik hoger in gebieden waar veel leerlingen deelnemen aan het speciaal onderwijs en bewoners vaker schulden hebben.

Wat de onderzoekers opviel, is dat in wijken met veel kinderen niet automatisch meer jeugdhulp wordt verleend. Schellingerhout: „Wellicht komt dit doordat in een wijk met veel gelijkgestemden de zorgen en problemen eerder besproken kunnen worden.”

In sommige wijken bleek het werkelijke gebruik van jeugdhulp veel hoger of lager dan het SCP-model op basis van de kenmerken voorspelde. Zo werd in de Haagse wijken Kijkduin en Ockenburgh aan 23,8 procent van de jongeren jeugdhulp verleend, terwijl de verwachting 12,4 procent was. In zo’n geval, zegt Schellingerhout, spelen er blijkbaar kenmerken mee die niet zijn opgenomen in het model.

Het SCP hoopt dat gemeenten op hun wijken gaan „inzoomen” en de verzamelde data zullen gebruiken om lokaal onderzoek te doen. De Haagse Hogeschool en het Kennisnetwerk Jeugd Haaglanden zijn daar al mee bezig: in de regio vinden de komende tijd gesprekken plaats met medewerkers van jeugdzorg en de gemeente.

De verschillen in het gebruik van jeugdhulp wijzen niet op goed of slecht gemeentebeleid, benadrukt het SCP. Een relatief hoog gebruik kan duiden op een wijk met veel problemen, maar kan óók betekenen dat de gemeente een groot aanbod aan voorzieningen heeft en de mensen met problemen goed bereikt.