Recensie

Recensie Boeken

De vaderlijke autoriteit is verdwenen, maar is dat zo erg?

Vaderschap In een pamflet betoogt emeritus hoogleraar psychiatrie Frank Koerselman dat vaders weer ‘kerels’ moeten worden. Alsof daarmee de ‘wanorde’ kan worden bestreden.

Zoon, vader en grootvader gaan zwemmen in zee.
Zoon, vader en grootvader gaan zwemmen in zee. Foto Jamie Garbutt / Getty Images

Artikelen over de verspreiding van het corona-virus en de economische opvattingen van Thomas Piketty behoorden vorige week tot de meest gelezen artikelen op nrc.nl, maar ook een artikel over een op het eerste oog wat minder actueel thema, namelijk de teloorgang van het vaderschap. Het kan niet anders of het interview met emeritus hoogleraar psychiatrie Frank Koerselman, want daar hebben we het hier over, raakte een snaar bij de lezers van deze krant. Vaders, vond Koerselman, moeten weer kerels worden. In plaats van hun kinderen te pamperen of vriendjes met ze te willen worden moeten ze flink zijn en hun kinderen leren om te incasseren, van zich af te bijten en ze duidelijk maken wat grenzen zijn.

NRC sprak Koerselman vanwege zijn net verschenen Ontvadering, een krap honderd pagina’s tellend pamflet. Zijn vertrekpunt daarin is een uit 1963 stammende tekst waarin de Duitse psychoanalyticus Alexander Mitscherlich (1908-1982) opperde dat de vaderlijke autoriteit sinds de industriële revolutie tanende is.

In het kort komt het er op neer dat technologische ontwikkelingen de specifieke opvoedgebieden van de vader en de moeder grondig hebben ondermijnd. Zo werd een ambacht niet langer van vader op zoon overgebracht omdat pa ‘anoniemere’ werkzaamheden in een fabriek ging verrichten. Je kunt je er inderdaad iets bij voorstellen dat het veel aan de verhoudingen thuis heeft veranderd. Al vraag je je óók meteen af of een zoon van de directeur of van een omhoog geklommen ploegbaas van zo’n fabriek er nu echt zo rouwig om is dat pa hem niet gewoon leerde hoe je een klomp maakt.

Koerselman heeft er in navolging van Mitscherlich niet veel vertrouwen in dat vader en moeder (deze gezinssamenstelling dient steevast als uitgangspunt) de taken sindsdien eerlijk hebben verdeeld. Of anders gesteld: een kind heeft nog steeds behoefte aan gezag, maar pa en ma bieden dat gezamenlijk en in hun nieuwe rollen niet afdoende.

Het is belangrijk om bij het verdwijnen van de vaderlijke autoriteit niet meteen aan de autoriteit van mánnen te denken, maar eerder aan de waarden waar hij voorheen garant voor stond. We zijn, zegt Koerselman extrapolerend, inmiddels jammerlijk afgegleden naar een horizontale (lees: matriarchale) samenleving: we staan naast elkaar en dulden geen autoriteit meer boven ons en de verticaliteit bestaat eigenlijk alleen nog in het hobbyhoekje van de sport.

Koerselman haalt er veel bij, zijn analyse betreft niet alleen de gezinssituatie, maar bijvoorbeeld ook de narcistische selfiecultuur, de MeToo-beweging en onze (verwaterde) verhouding tot God, die tevens gezien kan worden als een soort vaderfiguur waar we de hoed niet meer voor afnemen.

Lees ook het interview met Frank Koerselman: ‘Een vader moet flink zijn. Niet huilen’

Ontvadering is zo’n boek dat je geregeld paf doet staan. Een pamflet is geen dissertatie en je vergeeft Koerselman tot op zekere hoogte zijn gebrek aan stuttende cijfers, voetnoten en taartdiagrammen, maar hier zitten wel erg veel bokkensprongen en voor-de-vuist-weg-redeneringen in en bovendien is de tekst aan elkaar gesoldeerd met het magische werkwoord ‘zou’.

Het belangrijkste euvel echter is dat maar niet duidelijk wil worden wat nu helemaal het probleem is van de huidige gang van zaken. Barsten de gevangenissen uit hun voegen omdat er geen orde meer is? Zit iedereen maar en masse aan de hasj in plaats van de handen uit de mouwen te steken? Wat loopt er uit de klauwen en hoe subjectief is Koerselmans ergernis over bijvoorbeeld de al te zachte opvang van ‘Amsterdamse kindertjes’? Zit het zo overzichtelijk in elkaar dat jonge mensen na een terugkeer van patriarchale waarden géén burn-out meer krijgen? Je kunt je ook maar moeilijk voorstellen dat er ook binnen bedrijven in een kapitalistische economie als de onze géén sprake is van een prestatiecultuur of andere vorm van verticaliteit. Wie of wat geeft de maat aan? De organisaties in een maatschappij of de vrouwen die zich er geleidelijk aan een plek in hebben weten te veroveren? Koerselman kon wel eens de tweede optie aanwijzen, zoals hij het immigratiestandpunt van Angela Merkel (‘Wir schaffen das’, etc.) in het hierboven genoemde interview ook al toeschreef aan ‘moederschap’ en niet aan haar verstand of politieke overtuigingen.

Ook kun je je afvragen of Koerselmans appèl op een herwaardering van de verticaliteit geen mosterd na de maaltijd is. Is de losheid van de jaren zestig nog steeds de bepalende factor in de maatschappij? Leg dat maar eens uit aan studenten die alsmaar minder jaren van hun studie vergoed krijgen. En durft de overheid tegenwoordig niet al veel strenger te zijn tegenover immigranten dan aan het einde van de vorige eeuw? Kortom: is de staat wel de Moeder die Koerselman er in ziet?

Heus, dit pamflet bevindt zich in een vruchtbare hoek waar genoeg te halen valt. Niet voor niks bogen twee van de meest vooraanstaande Europese schrijvers, Jon Fosse en Michel Houellebecq, zich in recent werk over de westerse mens die het niet langer zonder religie kan stellen.

Maar de maatschappelijke misverstanden en pijnpunten verdienen een duchtiger tegenstander – of misschien een duchtiger schrijfvorm – dan dit pamflet, waar bijvoorbeeld ook geen enkel vertrouwen uit spreekt dat het lonender is om mensen te laten nadenken dan ze te tuchtigen.