De stadsrebellen van weleer

Boekenweek ‘Rebellen en dwarsdenkers’ is het thema van deze Boekenweek. Wat waren de belangrijkste literaire rebelse stromingen in Amsterdam?

Vlnr: Simon Vinkenoog en Remco Campert (Vijftigers); literatuurcriticus Maurits Mok en Jan G. Elburg, in Athenaeum Boekhandel, 1976.
Vlnr: Simon Vinkenoog en Remco Campert (Vijftigers); literatuurcriticus Maurits Mok en Jan G. Elburg, in Athenaeum Boekhandel, 1976. Foto Rob Bogaerts/Anefo

Rebels en zelfverzekerd, revolutionair en vol elan: jonge schrijvers, dichters en beeldend kunstenaars zijn altijd vervuld van nieuwe idealen, waartoe een oude gevestigde kunstorde moet verdwijnen. Schrijver Lodewijk van Deyssel, een van de voormannen van de Beweging van Tachtig uit de laat-negentiende eeuw, formuleerde het treffend: „Als ik ga scheppen, veeg ik eerst alle boeken van tafel.”

Lucebert, de zelfgekroonde keizer van dichtersgroep de Vijftigers die eind jaren 1940 opkwam, dichtte in die na-oorlogse tijd van jeugdige ambitie en zoektocht naar experimentele versvormen: „ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af / en ik val en ik ruis en ik zing.”

Joost Zwagerman, een van de Maximalen, 1989. Foto Maurice Boyer

Dan de Maximalen, een artistieke stroming uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Dichter Pieter Boskma zocht en vond een nieuwe stem: „Zou ik net als de oude Monet de stof voor mijn werk / uit mijn tuin kunnen halen? We verfoeiden het in dagen / dat de poëzie gevangen zat bij mottige geleerden / aan een ingedutte faculteit.” Tuinen noemt de aanstormende dichter ‘verdacht’. Want: „Wij woonden hoog van de grond / in de binnenstad! De ramen moesten open! Seks, drank / en straatrumoer.” Een jong, hedendaags engagement maakte entree.

Deze drie belangrijke, geruchtmakende stromingen uit de Nederlandse literatuur hadden de kracht van een explosie en riepen verzet op, zowel bij de gezeten burgerij als de heersende literaire elite. De dichters zochten elkaar op in hoofdstedelijke etablissementen, waar ze hun artistieke passie als groep deelden. Als je naar de leeftijd kijkt, valt op hoe ontstellend jong deze vernieuwers waren: Van Deyssel nauwelijks 18; Willem Kloos, de invloedrijkste dichter van de Tachtigers, amper 20; Vijftigers Lucebert, Gerrit Kouwenaar en Remco Campert waren aan het eind van de jaren veertig rond de 24, evenals de Maximalen aan het begin van de jaren tachtig.

Lodewijk van Deyssel, een van de voormannen van de Tachtigers. Foto Hollandse Hoogte

De Tachtigers frequenteerden de roezige café chantants aan de Nes en Mille Colonnes ofwel café Mast aan het Rembrandtplein. De Vijftigers schuimden de Zeedijk af op zoek naar jazz en vierden hun nieuwe poëzie aan het Leidseplein, vooral in de cafés Eijlders en Reynders. De Maximalen verkozen, geheel volgens de tijdgeest, nachtclub annex discotheek Roxy aan het Singel, een gelegenheid die Joost Zwagerman vastlegde in zijn sleutelroman Gimmick! (1989). Ook de Maximalen kwamen op het Rembrandtplein, net als de Tachtigers, onder meer in Schiller.

Jonge generaties kunstenaars willen altijd alles anders, dat is hun bestaansrecht. Kloos dichtte dat poëzie geen „zachtoogige maagd” is maar „een hartstocht, een dronkenschap, een gloed en een verlangen”. Een „daad die alleen het leven levenswaard maakt”. Lucebert probeerde „de ruimte van het volledig leven / tot uitdrukking te brengen”. In Gimmick! beschrijft Zwagerman dat een dichter die, symbolisch, Oerzang heet, hem in de Roxy vertelt over zijn inspiratie. Dat Oerzang de „hele zooi” er in een keer uitgooide: „En toen ik daarmee bezig was, zag ik dat het... dat het zó godverdomde verníéuwend was wat ik had gemaakt. Maximale poëzie, heb je daar wel eens van gehoord? Maximale poëzie! Holy cow!” Oerzang begon van pure extase „gewoon te janken”. In de woorden van Boskma nu: „Maximaal was voor ons een pleidooi voor een lyriek uit het volle hart.”

Opvallend agressieve scheldkritieken vielen door de tijd heen deze jonge talenten ten deel, zoals „een groote aanwinst voor bordeelliteratuur” over de erotische dan wel als pornografisch beschouwde roman Een liefde uit 1887 van Van Deyssel. In 1953 raakte Bertus Aafjes bij Lucebert en de mede-experimentelen een open zenuw in een oordeel dat zich nooit laat vergeten: „Lees ik Lucebert’s poëzie, dan heb ik het gevoel dat de S.S. de poëzie is binnen gemarcheerd. Een totalitair stelsel van rauwe gevoelens en instincten.”

De Maximalen, die straatrumoer en popmuziek in hun poëzie een plek gaven, kregen het verwijt „weekgemasturbeerde puistenkoppen” en „kansarmen” te zijn, en hun poëzie was als „een teil met rotte vis”.

Sporen nagelaten in literatuur

De Tachtigers, de Vijftigers en de Maximalen waren niet zomaar opvlammende rebelse bewegingen, ze lieten sporen na in de Nederlandse literatuur. Als je hun opstandige geschiedenissen vol anti-establishment naast elkaar legt, zijn er tal van verrassende overeenkomsten. Voor de Maximalen waren discotheken, cafés en poëzie onverbrekelijk met elkaar verbonden; hun literaire kunst is stadskunst, net als die van de Tachtigers en Vijftigers. In de stedelijke cafés gebeurde het.

Pieter Boskma, een van de Maximalen, in zijn jonge jaren. Foto Vincent Mentzel

Dichter Boskma herinnert zich goed dat aankomende talenten als Zwagerman, Arthur Lava, Dalstar (Koos Dalstra), Frank Starik, René Huigen en de Vlaming Tom Lanoye elkaar in het café troffen: „Er was een breed gedeeld gevoel dat het anders moest, dat de poëzie van toen ingedut was, academisch, verstandelijk. Er was geen zintuiglijkheid, geen lef. Stevig drinkend in het café proefden we de poëzie. Wij zetten halverwege de jaren tachtig de ramen van het rusthuis open en lieten het rumoer van de straat binnendringen. ‘Wij willen alles maximaal’, riep eens iemand. Toen werden we de Maximalen genoemd.”

Maximalen, ca 1988, vlnr: F. Starik, Dalstar, Arthur Lava, Pieter Boskma, Joost Zwagerman en René Huigen. Foto Harry Meijer/HH

De rebellerende Tachtigers richtten zich tegen de domineespoëzie, de revolterende Vijftigers pleitten voor extatische vreugde en de Maximalen wilden „met een Maximale tongzoen de bedlegerige muze tot bewustzijn brengen”, zoals de inleiding op de bloemlezing Maximaal stelt. Voor de intenties van alle drie de stromingen geldt feitelijk hetzelfde: de literaire wereld mocht gerust opgeschud worden. De traditie van opstandigheid zet zich dus al vanaf de Tachtigers voort. Mille Colonnes groeide uit tot het bruisende literaire en politieke leven van de stad. Ze kwamen er allemaal, de Tachtigers, onder wie ook schilders als Jacobus van Looy en George Hendrik Breitner. Deze radicale, rebellerende bohémiens heetten ook ‘biernomaden’, want ze zwierven vaak van kroeg naar kroeg. Mille Colonnes won het glansrijk, want het was de eerste kroeg in ons land waar bier werd getapt met zuiver koolzuur.

De Tachtigers waren genotzuchtig en wensten, net als de Vijftigers en Maximalen, het ‘volledig leven’ uit te buiten. Hiervan getuigt bijvoorbeeld een brief van dichter Jacques Perk, die eerst in Den Haag aan een prostituee ofwel ‘Venus’ 3,50 gulden uitgaf en vervolgens aan de zwier ging in Amsterdam: „Rijden en rossen, zuipen en pimpelen, ’t ging er alles door als koek.” Het herengezelschap trok erop uit om „tamelijk gezellig dag in dag uit te sjouwen” en bezocht „Café chantants en kroegen, publieke vermakelijkheden en niet publieke, rijp en groen, we rieken er aan en proeven ze.” De stijlvolle gelegenheid was behangen met „oneindige vergezichten weerkaatsende spiegelwanden”, zoals een van hen schreef, en was gevuld met „zilver-grijs hangende sigaren-rook”.

Rembrandtplein, ca 1915. Het hoge pand met beschilderde zijgevel is Mille Colonnes, thuishaven van de Tachtigers. Foto Collectie Stadsarchief Amsterdam

Eerst Reynders, dan naar Eijlders

Evenals als de Tachtigers ontvluchtten de jeugdige Vijftigers hun koude, eenzame zolderkamers en kwamen in Eijlders en Reynders bijeen, waarheen zich ook Simon Vinkenoog, Hugo Claus en Corneille begaven. De eminente chroniqueur van die tijd was Campert, die met vasthoudende regelmaat elke ochtend naar het plein ging waar hij in Reynders, zoals hij schrijft in het autobiografische Waar is Remco Campert? (1978), genoot van een „bakje eikelsap”. En hij verzucht: „Laatst zei iemand dat mijn naam vastgespijkerd zit aan het Leidseplein en daar schrok ik een beetje van, omdat je voor jezelf altijd nog een illusie van beweeglijkheid wilt behouden, maar inderdaad, ik heb er al een paar divisies voetstappen liggen.”

Als je koos voor een cafébestaan aan het Leidseplein, dan had je een duidelijke keuze gemaakt in je leven

Remco Campert Schrijver

Als je koos voor een cafébestaan aan het Leidseplein, aldus Campert, dan „had je een duidelijke keuze gemaakt in je leven. Dan was je een kunstenaar of op weg om een kunstenaar te worden. De eerste periode van dat kunstenaarschap bracht je overdag door in café Reynders en ’s avonds in café Eijlders.” In Reynders kostte koffie een kwartje, een biertje iets meer.

Café Reynders, stamcafé van de Vijftigers. Foto Collectie Stadsarchief Amsterdam

Met terugwerkende kracht is het vaak moeilijk voor te stellen wat de woede opriep van de critici van toen. Ondertussen zijn de rebelse schrijvers van zowel Tachtigers als Vijftigers vooraanstaand geworden, onontbeerlijk voor onze literatuur. Dat geldt beslist ook voor Maximalen als Joost Zwagerman, Pieter Boskma en F. Starik. Zij hebben in hun werk het „volle en eigentijdse leven” omarmd.

Poster van het Grand Gala der Klauwhamers in 1988 in de Roxy. Collectie Pieter Boskma

Op 24 mei 1988 werd in de Roxy de bloemlezing Maximaal gepresenteerd in aanwezigheid van de legendarische Amerikaanse beatnikdichter William S. Burroughs. Hij dronk whisky zonder ijs – dat kon niet, vond Boskma. Hij vulde met een tangetje ijsblokjes aan in zijn glas. Tot vreugde van de beatpoet. Die bijeenkomst, waarbij alle elf Maximalen acte de présence gaven, heette provocerend Grand Gala der Klauwhamers. Die ‘klauwhamers’, dat zijn de dichters van wie de versregels van de bladspiegel spatten. In de Roxy werd poëzie ook voordrachtskunst. Zwagerman en Lanoye ontwikkelden zich tot meeslepende poëzieperformers. Vanaf dat moment nemen podiumpoëzie en spoken word-optredens een belangrijke plaats in in de literaire wereld. Zwagerman, die als pleitbezorger van de Maximalen optrad, noemt hun poëzie „de kunst van het grote gebaar, waarbij dan ook van alles wordt geannexeerd, hoge en de lage kunst, liefdeslyriek en pornografie, popmuziek, cocaïne en gezondheidscultus”.

Twee van de vier gelegenheden van toen bestaan niet meer. Mille Colonnes is afgebroken in 1920, nu zit er discotheek Escape. De Roxy brandde in 1999 af.

‘Gimmick’ uit de gelijknamige roman staat voor de Roxy, en die zag er zo uit: „Gimmick, tegen sluitingstijd. Grote tent, voor Amsterdamse begrippen dan. Twee verdiepingen en een cocktailbar, art deco, high-tech, minimaal barok – een discotheek met een ratjetoe aan interieurs.”

Lees ook: Hier ging veel méér dan een discotheek verloren

Het interieur van zowel Eijlders als Reynders is nagenoeg gelijk gebleven. In de naoorlogse tijd runde de familie Eijlders hun café en werd Reynders bestierd door twee zussen, Annie en Miep. In beide etablissementen speelde zich die „kleine mooie ritselende revolutie” af. Ga er binnen, en waan je nu nog altijd in de jaren van toen. Een tijdreis naar de rebellie.

Meer over de Boekenweek en het thema ‘rebellen en dwarsdenkers’ op www.boekenweek.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.